
Als oudste (half)broer en medevennoot van Opa verdient ‘Oom Casper’ (Caspar Franciscus Joannes, * 27-12-1877 – † 30-6-1963) ook een prominente plek op deze site. Bovendien is er van hem een heel schrijven overgeleverd (vermoedelijk uit 1944), dat een prachtig tijdsbeeld geeft.
Het is gedeeltelijk opgenomen in het familieboek van Hanneke Mathieu-Verbeek. Hier het complete (?) document; hieronder de transcriptie:
Aan allen die deze schrijving gaan lezen.
Gij zult zien dat ik herhaaldelijk ”van den hak op den tak spring”, er is geen regelmaat, ik schreef alles neer zoals het in mijn geheugen opkwam. Maar toch hoop ik bereikt te hebben dat mijn kinderen wat meer van hun ouders kunnen vertellen aan hunne kinderen, dan mijne lieve vrouw en ik van de onze, want dat is maar sober.
Opa (Casper Verbeek)
In de loop van mijn leven zijn mij door mijn kinderen en ook verdere familieleden vragen gesteld betreffende onze “komaf”d.w.z.; wie waren onze voorouders, waar woonden en werkten zij, wat was hun beroep?enz. enz. Met die vragen heb ik in feite nooit goed raad geweten omdat mijn vader dien aangaande nooit erg mededeelzaam was, mijne moeder vroeg stierf en mijn vader en ook mijn voogd, mijne geboorte- en woonplaats spoedig na het overlijden van mijne moeder verlieten, zoodat de draden welke het verleden bonden aan mijn jeugd en zooveel wat tot mijne naaste omgeving behoorden en de belangstelling van het kind heeft, vroegtijdig en radicaal verbroken warden. Want tusschen mijn 8ste en 23 te levensjaar bezocht ik het “dierbaar plekje grond” in het geheel niet meer en toen ik als jonge man weer eens kwam kijken was er zeer veel veranderd en verdwenen. Er woonden geen menschen meer die mij trokken of mij jeugdherinneringen vertellen konden en zelf was ik in mijn opvattingen zoodanig gewijzigd, dat ik weinig moeite wilde doen om een en ander uit het verleden op te diepen.
Ik hechtte er toendertijd weinig waarde aan en mijn omgeving vroeg er ook niet na. Dit werd anders toen ik een eigen gezin had gesticht en mijn vrouw en naderhand de kinderen belangstelling toonden in dat verleden, ofschoon er ook toen nog jaren moesten verlopen alvorens ik er pogingen voor heb aangewend wat gegevens bij elkaar te scharrelen.
Mijne jeugd was arm aan vreugde en dit heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen om mijne belangstelling dienaangaande te doen verflauwen. Terwijl ik nu het plan heb om onze familiegeschiedenis eens in dit boekje samen te vatten leven we in de verschrikkelijkste oorlog die de wereld ooit gekent heeft en is het dientengevolge uiterst moeilijk om gegevens te verzamelen, die men uit plaatselijke waarneming of bij diverse officieele instanties moet verzamelen, toch zal ik dit voornemen thans doorzetten want er kon anders wel eens een tijd komen dat er in ’t geheel niets meer van een levensbeschrijving komt.
Van mijn eerste jeugdherinneringen zijn de voornaamsten- het eerste naar school gaan in Zes-gehuchten bij Oom Frans als onderwijzer (mijn voogd), een schooltje met twee afdelingen. Vader, die evenals z’n broer zeer muzikaal was, was directeur van het kerkkoor en toen ik ternauwernood letters kende moest ik meezingen in het knapenkoor. Het schijnt dat m’n vader onder aansporing van z’n pastoor, Mr. de Beer, aardige resultaten wist te bereiken met z’n koor want hij durfde ‘t aan om de beroemde Mis van Palestrina uit te voeren. Er was ook een knapenkoor in Geldrop onder leiding van Vincent v.d. Heuvel, lakenfabrikant en later lid der 2de kamer, daar liep blijkbaar het koor niet zoo goed omdat de kleine sopraantjes en alten ontbraken, de oplossing voor dit tekort werd gevonden door de respectievelijke ouders dezer kinderen te dwingen, hun kinderen van het koor van Tielemanne af te nemen en ze naar Mr. vd.Heuvel te zenden.
Deze vorm van lijfeigenschap bestond toen nog hevig, de meeste van bovenbedoelde ouders waren arme lakenwevers die geheel afhankelijk waren van hun werkgever!!
2
M’n vader vertelde dat deze aftrochelerij openlijk door z’n Pastoor werd gebrandmerkt ondanks de groote macht der heeren v.d.Heuvel.
Uit het schoolleven herinner ik mij het verschrikkelijke feit dat er een goochelaar op het schoolplein eene seance zou geven, DAT ”war noch nie dagewese” en alle kinderen mochten daar natuurlijk bij zijn behalve ik, want ik had eenige dagen tevoren bij een gevecht met andere jongens om een stukje verguld kalkpuin van de oude kerk die afgebroken werd, een der jongens een gat in z’n kop gegooid. Ter volmaking van de straf mocht ik thuis door een zolderraampje naar de expirimenten van den goochelaar kijken en luisteren naar de pret en het gejuich van de kinderen, maar de afstand van de plaats der voorstelling en mijn uitkijkpost was zo groot dat ik niets eigenlijk goed kon waarnemen. Ik heb nu nog het gevoel dat ongeveer overeenkomt met een gevangene uit de middeleeuwen die ze een bord voor de tralies zetten met gebraden vleesch.
Nog een geval van grievend onrecht memoreer ik hier; de nieuwe kerk zou door de Bisschop van den Bosch worden geconsacreerd, de pastoor of de burgemeester had Vader en oom Frans en wellicht nog enkele andere notabelen der “stad” tot een feestcommissie benoemd en deze vonden het nodig om de Bisschop in te halen over een geheelen nieuwen weg dwars door de landerijen der boeren heen, de weg moest door de boeren zelf bebouwd worden. Er was een allegorische optocht georganiseerd, waarbij ondermeer de kinderen uit het dorp met vaantjes, schopjes enz. een onderdeel van den optocht zouden vormen, daar deden alle kinderen aan mee —-, behalve het eenigste zoontje van den voorzitter van het feestcomité, die stond als toeschouwer aan de kant van den nieuwen weg zonder vaantje,schopje of andere attractie !!! De volgende dag bleek het dat Vader het door de drukte vergeten had dat hij ook nog een jongen had die graag had mee gedaan.
Deze en meer van zulke kinderrampen vielen voor waarschijnlijk na het overlijden van Moeder, want was deze er nog geweest dan zou zij ongetwijfeld er voor gezorgd hebben dat Tieleman zijn eigen jongen niet vergeten had,- over Moeder verder meer.
Ik moet hier nog vertellen dat vader in Zes-Gehuchten ook brievengaarder was en ook te zorgen had voor de bezorging der brieven in al de zes gehuchten, dat was een flinke uitgestrektheid. Voor brievenbesteller fungeerde een man met een geweldige bult, als men die bult had kunnen uithollen dan was er geen brieventas noodig geweest. Ik herinner me flauw dat het een onprettige kerel was en dit zal wel de aanleiding geweest zijn dat ik met m’n vriendenschaar en steeds op uit was om dezen man te pesten. We spaarden onze zondagcenten en kochten er briefkaarten voor die we adresseerden aan een boer die aan het uiterste einde van de bestelkring woonde met geen andere woorden dan:” goeden dag Hannes” er op geschreven en zoo moest de bochel eenige malen per week ± 1½ uur heen en terug loopen om die kaart te bezorgen (er waren toen nog geen fietsen en de zandwegen zouden trouwens niet te fietsen zijn ). Dat spelletje heeft zeker vrij lang geduurd, ik herinner me er ten minste wel van dat ik een geweldig pak slaag kreeg van Vader in het bijzijn van die bochel.
3
Die brievengaarderij (zoo heette vroeger zoo’n postagentschap) had mijn Vader al overgekregen van zijn Vader en deze was de eerste in Zes-Gehuchten die dat baantje daar kreeg, Oom Frans zei altijd, dat de post dit wel aan Grootvader MOEST geven, want er was niemand anders in ’t dorp die lezen kon!! – of dat waar was weet ik niet.
Een kleine vreugde herinner ik me ook nog en vermelt ze hier om het grote verschil te demonstreren in waardering der dagelijksche dingen,.. Het was de eerste keer van mijn leven dat ik met een spoortrein mee mocht. Mijn twee zusjes waren na de dood van Moeder bij de Zusters in Helmond ondergebracht en nu mocht ik met Vader ze bezoeken Daar heb ik me reeds eenige weken van te vooren op verheugd en de “REIS” was ernorm. Eerst circa vijf kwartier door een zandweg loopen naar het station Neunen-Tongeren [=Nuenen-Tongerle]
en toen met de spoor! Circa 8 minuten! Ik geloof dat ik het daarom zoo geweldig vond omdat een paar oude tantes in ons dorp die heel rijk waren, me bij herhaling vertelden, dat ze nog nooit in de spoor hadden gezeten—.
Zeer levendig tot in alle details staat mijn Moeder me nog voor de geest. Ze was grooter dan Vader en erg zacht van aard. Eens miste ze een bliken trommel uit haar keuken, die had ik weggenomen toen het sneeuwden, vulde ze met sneeuw en verstopte ze toen in de schuur achter het huis met de bedoeling er sneeuwballen van te maken (niet van de trommel) in den zomer als geen enkele jongen meer sneeuw had.
Overal had Moeder naar die trommel gezocht en toen ze wellicht na maanden bij toeval voor den dag kwam, vreesde ik ’t ergste, maar toen ik verteld had wat ik ermee voor had begon de geheele familie onbedaarlijk te lachen. Ik begreep er niets van want ten overvloede trok Moeder me naar zich toe en kustte me.
Als ik wat uitgevoerd had en in de zak moest om meegenomen te worden door de kermisreiziger dan kwam altijd Moeder er tussen om de situatie voor mij te redden.
Moeder ging jaarlijks ter bedevaart naar Kevelaar en op de dag van haar thuiskomst stond ik ’s morgens al vroeg aan den weg naar Helmond waar vandaan eerst ’s middags de boerenhuifkarren met kevelaarvaantjes versierd kwamen aanrijden steeds zingende ”Kinderen van Maria zwaait den zegenvaan” -enz.
Vele kleine dingen zou ik nog kunnen verhalen van Moeder. Op een dag was Moeder plotseling heel erg ziek, er waren veel menschen in huis en allen keken heel treurig, later vernam ik dat Moeder een klein broertje voor me gekocht had en dat was dood aangekomen, toen was er een dokter gekomen die gezegd had dat alles goed was en Moeder wel spoedig beter zou zijn. Eenige uren later was Moeder naar den hemel gegaan.
Dan werd zij naar het kerkhof gebracht waar al het volk uit het dorp was samen gekomen en om het graf stond, Ik stond met Vader aan de hand vlak voor het graf niet beseffende wat ik op dien dag voor altijd verloren had, maar ik geloof dat Moeder haar jongen in den hemel nooit heeft vergeten en hem door haar voortdurend gebed en voorspraak altijd heeft beschermd voor de vele gevaren naar ziel en lichaam waaraan ik in mijn leven heb blootgestaan.
Gelijk ik reeds zeide zijn vele jeugdherinneringen vervaagd doordat na het afsterven van Moeder, mijn vader Zes-Gehuchten verliet. Hij zette de kleermakerij die hij van zijn vader had overgekregen aan de kant en vestigde zich als naaimachinehandelaar in Eindhoven.
4
Ik bleef onder de hoede van een huishoudster, Nelleke en oom Frans in het dorp en Vader kwam Zondag’s dan ook daar om de nog lopende zaken af te wikkelen. Vader heeft al zijn kennis van het naaimachinevak zichzelf aan geleerd en is een zeer bekwaam mechaniker geworden. ik kom daar later nog wel op terug.
Ik bleef bij Oom Frans op school en was met hem bij een familie in het dorp in de kost. Oom Frans was ongetrouwd en later raakte hij verloofd met Nelleke, maar die zaak is niet doorgegaan want, zo zei hij; toen ik Nelleke vroeg om te trouwen, bleek dat zij meer van hare twee oude Tantes hield, waar zij was opgevoed, dan van mij en Oom Frans zei toen weer; je moet trouwen met diegene waar je het meeste van houd, dus ga maar met je tantes trouwen.
Alvorens afscheid te nemen van Zes-Gehuchten en Eindhoven moet ik nog vertellen dat Vader op een winterdag op de schaatsen over het kanaal naar ’t dorp was gekomen en terwijl hij met Oom Frans thuis zaken zat te bespreken heb ik de schaatsen te pakken gekregen en ben in het stikdonker naar een sloot in de nabijheid van ons huis gelopen om op de schaatsen te rijden, ik viel een gat in mijn hoofd en gleed ten overvloede in een wak. De veldwachter heeft me eruit gehaald, een pak ransel gegeven en toen thuis gebracht, daar kreeg ik opnieuw een flinke aframmeling om wat van de koude en de schrik bij te komen.
De zaken van mijn vader in Eindhoven moeten volgens Oom Frans aanvankelijk goed gelopen hebben, maar Vader was wel een goede mechanieker en een goede verkoper maar een slechte administrateur Hij gaf te lichtvaardig zijn vertrouwen en de gevolgen bleven daarvan niet uit. Door het optreden en voortdurend controleren van Oom Frans kon nog veel achterhaald worden, maar het was voor Oom Frans om naast zijn onderwijsfunctie en dan in een plaats die meer dan een uur gaans van Eindhoven lag, niet doenlijk om dat te blijven doen, te minder waar hij ook nog voor meerdere taalactes studeerde.
In die tijd ging Singer Co. In Nederland zich vestigen en trachtte door vrijgevige voorwaarden mijn vader over te halen om zijn zaak aan Singer over te doen en zelf op te treden als depothouder wat dan ook ten slotte gebeurde en zoo heeft vader nog eenige tijd in de winkel op den Demer de Singerzaak behartigd.
Intussen wilde Singer zich ook in Waalwijk vestigen omdat daar de schoenindustrie zich sterk ontwikkelde en voor die post alleen een goed vakman aangewezen was. Misschien vertel ik hierover nog wel iets meer verder in dit verhaal.
Om volledig te zijn moet ik toch eerst nog eens terug naar Zes-Gehuchten. Grootvader Verbeek stamt waarschijnlijk uit de Belgische Kempen. Hij noemde zijn eerste zoon Tieleman dat is een Vlaamse naam en er staat mij ook nog vaag voor den geest dat vader en Oom Frans zich eens tevoet naar de Kempen hebben begeven voor familiebezoek. Ik heb het voornemen om zoodra daartoe de gelegenheid is mij over dit punt verder te informeren wat vrij zeker door een persoonlijk onderzoek het beste kan.
Grootvader had als kleermaker toendertijd reeds relaties met handelshuizen in Brussel en in Viersen in de Rhijnprovincie. Hij kocht zijn stoffen rechtstreeks daar en ging er persoonlijk heen, dat was in dien tijd niet eenvoudig want treinverbindingenwaren waren er nog zeer weinig. De relatie in Viersen heeft er toe geleid dat een broeder van Moeder zich met zijn geheele gezin daarheen heeft gevestigd. Die oom, Jan van Bragt, was wever bij van den Heuvel in Geldrop en heeft zich in Viersen tot een flinke hoogte weten op te werken, ik heb later nooit meer van hem gehoord dan alleen dat zijne familie daar altijd is gebleven.
5.
Grootvader Verbeek (1827-1877) is gestorven in 1877 in zijn 50ste jaar. Zijn vrouw, mijn grootmoeder, Hendrika van der Velden was uit Zes-Gehuchten afkomstig en naar ik meen wonen haar familieleden nog altijd in Zes-Gehuchten. Grootmoeder overleefde haren man ruim twee en twintig jaar, zij stierf in Amsterdam. De laatste dertig jaar van haar lange leven is zij geheel blind geweest, deze blindheid moet volgens de mensen die haar gekend hebben zijn oorzaak vinden in haar veel werken in de kleermakerij bij slecht licht en lange werkdagen. Zij was zeer werkzaam en heeft hare oogen daarmede bedorven. Een behandeling bij een oogspecialist in Brussel heeft het ergste niet kunnen voorkomen. Toch heb ik als kind en als opgroeiende man veel van haar gehouden Zij klaagde nooit over haar blindheid, verdroeg alles met de grootste zachtheid, was vol belangstelling voor hare zoons Tieleman en Frans, Joseph was inmiddels overleden, en voor hunne vrouwen en kinderen, voor hun werk en voor hun leven, was vol dankbaarheid voor alles wat voor haar gedaan werd en was boven alles diep godsdienstig en vrijgevig.
Toen ik ouder werd zag ik zeer wel dat Grootmoeder niet zeer welkom was in het groote gezin van mijn vader en er viel nogal eens een hard woord over Grootmoeder maar zij verdroeg alles werkelijk met liefde en geduld. Haar eenigste wens was, dat ze maar zoo dicht mogelijk in de nabijheid kon blijven van hare kindren; dat zij in een Gesticht moest wonen viel haar niet zwaar, als zij maar op de bezoekuren iemand van ons bij zich kreeg dan was zij volkomen tevreden en dan gingen groote en kleine kinderen met een zakje lekkers, dikwijls muf van oudbakkenheid, weer naar huis en ieder wist dat Grootmoeder alles wat zij in haar blindheid nog kon doen ook met liefde en oprechtheid deed, dat is bidden voor ons aller welzijn.
Zij duldde niet dat er van iemand kwaad gesproken werd, ook zelfs niet als er toch wel redenen waren om te klagen, zij wilde alles met de mantel der liefde bedekken.
Toen deze grootmoeder overleed, was ik sinds eenige maanden in dienst bij de Singer Mij. in Rotterdam, nadat ik ongeveer twee jaar had gevaren op zee en rivier als assistent-machinist. Over deze periode schrijf ik verder nog meer, ik wil nu slechts een bitter moment memoreren.
Ik had de gewoonte op aandringen van mijn vader om Grootmoeder te bezoeken als ik met mijn schip binnen was, dan moest ik haar van allerlei vertellen over mijn reizen en werken op het schip. Grootmoeder kon zich waarschijnlijk geen juiste voorstelling maken van het leven aan boord en van een zee, maar ik geloof dat zij bij intuitie voelde dat ik zeer dikwijls in morele en lichamelijk gevaren verkeerde en daarom bad zij alle dagen voor mijn welzijn en niet zonder vrucht, want ik ben altijd voor ondergang gespaard gebleven en inderdaad, er dreigde dikwijls gevaar. Men zal zich kunnen voorstellen hoe verdrietig ik was toen ik vernam dat deze lieve oude grootmoeder was heengegaan en men mij daarvan eerst kennis gaf toen alles reeds afgelopen was en zij in het graf rustte. Ik was in dien tijd niet erg gevoelig maar dit feit heeft mij toen diep getroffen en ik kon nooit vergeten.
[Dit overlijden van grootmoeder behoort reeds gerangschikt te worden in de eerste jaren die wij in Amsterdam woonden.] Intussen was Vader in Waalwijk om zich in te werken in een filiaal voor de Singer Co.op te richten, waarin hij goed slaagde. Het entree bij de schoenfabrikanten voor zijn Firma was door zijn kunde en persoonlijk optreden in alle opzichten gunstig.
5a
In dien tijd leerde vader daar zijn tweede vrouw kennen wat spoedig tot een huwelijk leidde. Om dit huwelijk speelde zich nog een hele geschiedenis af, allemaal klein gedoe, achterklap, afgunst enz. zooals dat in kleine plaatsen meer voorkomt en waarvoor het Waalwijkse volk bekend stond. Ik ga dit verder als niet ter zake zijnde stilzwijgend voorbij.
De Singer affaire liep intusschen zeer vlot en was aanleiding dat vader zich assistentie mocht assumeren en hij zocht daarvoor oom Frans aan, die bij het onderwijs weinig perspectief zag en die waarschijnlijk geen zin had om in zijn boers dorp te blijven, waar hij nu zo goed als geen vertier meer vond. Blijkbaar was er ook hier nog wel een rede meer om vader assistentie te geven om dezelfde reden die in Eindhoven reeds golden, hij was een slechte admimistrateur. Van verkoops- en voorraadsstaten en rapporten zooals begrijpelijkerwijs bij Singer in gebruik waren daar gruwde hij van, hij sjouwde en werkte dag en nacht en veroverde voor z’n firma het geheele terrein, maar schrijfwerk daar moest Papa niets van hebben.
We woonden drie jaar in Waalwijk, de belevenis voor mij was, dat de spoorlijn ‘S Bosch-Hogezwaluwe in gebruik genomen werd, dat er een nieuwe burgermeester kwam, die met ketelmuziek door de Waalwijkse schoenmakers ontvangen werd en dat de groote schoenfabriek, die de firma van den Berg zou laten bouwen, er niet kwam omdat de heer van den Berg, een israeliet, door de Waalwijkse bevolking diep was beledigd.
De fundamenten voor de fabriek waren reeds gelegd, alles werd in de steek gelaten en de fabriek gebouwd in ‘S Bosch. Vader echter kreeg toch de hem toegezegde reuzen-machineorder voor z’n firma.
Ik maakte intussen bijna de lagere school af in Waalwijk toen Vader er genoeg van had om in Waalwijk verder te werken. Het was inderdaad een zeer onprettig en onbeschaafd volk.
Op Maria-Lichtmis 1888 gingen we naar Amsterdam en kwamen terecht in de Gerard Doustraat 42’’’’! Wat een overgang! Ik vond als jongen dat alles erg interessant maar ik weet toch wel dat er naast die interessante dingen er veel misere en armoede doorleefd werd.
Er waren inmiddels 5 kinderen, mijn twee zusjes en ik; en dan twee kinderen uit het tweede huwelijk en reeds was no 6 op komst.
Vader kreeg in Amsterdam een slecht betaalde plaats als mechanieker op de werkplaats in de Kalverstraat, met gevolg dat hij spoedig zijn ontslag nam en waarschijnlijk met financieele hulp van Oom Frans zich zelfstandig vestigde als naaimachinehandelaar in de Focke-Simonstraat 22. Dat ging echter van begin afaan slecht. Het was in het geheel geen winkelbestand en de gemaakte reclame baatte niet genoeg.
Ik moet hierbij nog vertellen, dat oom Frans toen wij nog in Waalwijk woonden, door de Singerdirectie benoemd werd tot filiaalchef van Haarlem en hoe dit nu precies liep kan ik niet zeggen, maar het zal ieder duidelijk zijn dat de positie van Oom Frans niet zeer prettig was, zijn broer die op korte termijn ontslag neemt en als concurent van Singer optreedt en hij bovendien nog min of meer de geldschieter in deze zaak. Ik verklaar een en ander slechts door dit feit dat deze beide broers als klitten aan elkander hechten in tegenstelling met hun derde broer Jozeph die, zooals zij zich altijd uitdrukten, door al zijn studies hun patrimonium had helpen opmaken.
Intussen was ik op school gedaan in Amsterdam bij de broeders op de Stadhouderskade, een deftige Mulo, waar ik door alle jongens met de nek werd aangekeken om mijn armoedige kleding en mijn noord-brabants dialect.
6
Na enige tijd werd ik van school genomen, ze was te duur!! Ik moest Vader helpen in de zaak. Maar de zaak ging niet en ondanks de herhaalde hulp van Oom Frans en van kapelaan Maat uit de duifjeskerk, zonk het schip steeds dieper weg. Ik was toen 12 à 13 jaar, maar deze droeve periode staat me nog in zijn volle naaktheid voor den geest.
Ik moest boodschappen halen bij de bakker en kruidenier zonder geld en dikwijls kwam ik zonder iets thuis, er werd niet meer gepoft en eerst moesten de oude beeren worden aangezuiverd. Dat heeft naar mijn gevoel nog lange tijd zoo voortgeduurd en ik zie nog de wanhoops-uitdrukking van mijn vader en moeder. Wij kindren leden vreselijke honger en raapten de broodresten van de straat op om onze honger mee te stillen. Onder-kleding was er zo goed als niet meer en bijna iedere week moest ik naar de Stadsbank van lening om het weinige wat er nog van waarde in huis was te verpanden.
Het water kwam tot aan de lippen en mijn vader besloot in te gaan op de aanbiedingen van een emigratiebureau dat poogde om gezinnen naar Argentinië te doen verhuizen. Deze plannen waren reeds in een ver gevorderd stadium, want ik herinner mij dat ik een prospectus in handen kreeg waarin de dagindeling en het menue aan boord van de boot stond medegedeeld. Wij kinderen verheugden zich met onze hongerige magen over het vooruitzicht dat in ieder geval op die boot geen honger geleden hoefde te worden. Er is echter van die plannen niets geworden, gelukkig want toen ik ouder geworden was heb ik vreselijke dingen gehoord over het lot van de meeste emigranten.
Vader was bij de voorbereidingen zijner reis ongezocht in contact gekomen met een der hoofdambtenaren der emigratieonderneming, die elkander nog van vroeger heel goed kenden en die hem toen bezwoer om onder geenbeding dezen stap te doen, daar dit gelijk stond met zoo goed als zekeren ondergang van hem en zijn gezin.
Er werd verhuisd naar de Nieuwe Leliestraat 113, waar de voorkamer weer zou dienen als winkel, maar er kwamen geen machines. Onze heele hebben en houden heb ik bijna geheel in de kinderwagen overgehuisd, alleen enkele groote stukken werden door den groenteboer naast ons uit vriendschap ’s avonds overgereden.
Toen wij in deeze nieuwe woning eenige dagen zaten moest ik aangenomen worden, maar er was geen geld voor een communiepakje. Op het laatste nippertje kon Vader toch nog iets kopen. Schoenen kreeg ik van een goede kennis en een dameskerkboekje van Moeder maakte mijn uitrusting compleet. Het was een droeve tijd ofschoon er toch enig licht kwam.
Door de voorspraak van kapelaan Maat bekwam vader een kleine som van een weldadige familie om er het allernoodigste van te kopen en de dringenste schulden af te betalen. Dat kwam zoo meende ik, omdat ik er alles opgezet hadt om een waardige 1ste communie te doen. Zeker weet ik dat ik de aanwijzingen en de voorbereidingsoefeningen bij kapelaan Maat met innige beleving volgde. De dag mijner 1ste communie is inderdaad een gloriedag geweest, ondanks alle armoede. In de Nieuwe Leliestraat 113 werd Tiel geboren (T.F.H.).
Kapelaan Maat wist eindelijk mijn vader zoo ver te krijgen, dat hij opnieuw een plaats ging vragen bij de Singer Co. en die ook kreeg. Er kwamen zoodoende steeds weer vaste inkomsten al was het te weinig. Maar vader repareerde ook thuis nogal veel en kwam zoodoende aan de kost.
6a
Toen verhuisden we weer naar de Boomstraat nr.5 en daar kwam onze blinde Grootmoeder, die tot dan toe in een Gesticht in N.Brabant was gebleven bij ons wonen.
Naderhand vernam ik dat men het oude mensch had weggestuurd omdat er niet meer voor haar betaald was geworden. (Dit overlijden van Grootmoeder behoort reeds gerangschikt te worden in de eerste jaren die wij in Amsterdam woonden.)
In dit sombere huis brachten wij de beruchte lange strengen winter van 1890-op1891 door. Ik was intusschen op de Ambachtschool gekomen en beleefde elke week huiselijke oneenigheden tussen Vader en Moeder. Omdat ik alle dagen zwart thuis kwam en niets verdiende, – daar begreep Moeder niets van en heeft ze zich nooit mee verzoend.
Ik had het niet vrolijk thuis er heerste dikwijls onvrede over allerlei dingen en jaarlijks kwam er tevens gezinsvermeerdering. Intussen waren we weer eens verhuisd naar de Westerstraat 177, waar het oudste kind uit het tweede huwelijk op ruim 4 jarige leeftijd stierf. Het was een August. Er kwam een tweede August die na enige weken reeds naar de hemel ging, toen kwam er twee maal een Frans , die na eenige weken weder ter ziele gingen. Maar ondanks dit komen en gaan waren we op een gegeven oogenblik met 13 kinderen thuis.
Op de ambachtschool liep het goed, ik maakte het hier in 2 jaar af en zette mijn studie voort met een een jaar voorsprong op de kweekschool voor Machinisten. Het schoolgeld werd betaald door een protector.
Reeds vroeg leefde in mij de wensch om mijn eigen kost te kunnen verdienen en de wereld in te kunnen, maar omdat ik klein van stuk en erg mager was, kon ik aanvankelijk niet slagen om een baan naar mijn zin te krijgen . De Machinistenschool voor dipl.A had ik achter de rug, maar kwam door mijn leeftijd nog niet in aanmerking voor een boot. Daarom werkte ik een tijd aan het Koninginnedok bij Wilton in Rotterdam en eindelijk kreeg ik dan een plaats op een der schepen van de K.N.S.M.
De eerste was een heel oude schuit, die dicht bleef op de wandluizen volgens de mening van mijn 1e machinist. Zoo heb ik er nog eenige gehad , Het was een ruw en gevaarlijk leven maar vol avontuur wat me nogal aantrok. Ik maakte verschillende reizen en verdiende zooveel dat ik nog behoorlijk wat wist over te sparen, waarvan het grootste deel in den bodemloze put terecht kwam van thuis. Van mijn plan om met het overgespaarde geld nog verder te studeren voor dipl.C is nooit iets gekomen. De huiselijke omstandigheden en de totale afwezigheid van medewerking om mij in die richting behulpzaam te zijn, dragen hiervan de schuld.
Intussen was ik in Bremerhaven van een boot achtergebleven en ging het vak van “Wanderbursche” beoefenen. Ik werkte op een scheepswerf in Bremerhaven, op een machinefabriek van de fa.Fr.Haniël in Rhurort en werd toen opgeroepen voor de militairen dienst. Met behulp van de Nederlandse consul in Duisburg kreeg ik reisgeld naar huis en hield men mij 14 dagen in het Militair Hospitaal om te constateren dat ik aan het rechter oor doof was en dus geen soldaat behoefde te worden. Ik moet hier nog bij vertellen dat ik tijdens mijn werk bij Wilton en Haniël enkele reizen maakte met nieuwe bij genoemde firma’s gebouwde Rhijnschepen-Rhijnsleepboten, naar de bovenRhijn tot Straatsburg. Dat waren aardige reizen waar ik met genoegen aan terug denk. Ik heb in die tijd veel van de stoompraktijk geleerd.
7
Het was toen de tijd van vele nieuwe toepassingen op het gebied van stoomkrachtwerktuigen. Je kreeg met allerlei systemen te maken; hoge druk, hoge en lage druk, hoge, middelbare druk, zoogenaamde triple-compound machines. Op stoomketelgebied de eerste waterpijpketels , op condensorgebied, de z.g. oppervlakcondensors, straalcondensors en meer andere, maar voor mij aller-interessantste dingen, waar ik geheel in opging.
Toen kwam ik op een boot met eigen electrische verlichting installatie geheel nieuwe stoomstuurinrichting. Dat vond ik het summum van volmaaktheid, doch gelijk ik reeds zeide, de oproep voor den Mil. dienst maakte aan deze periode een einde.
Met veel moeite slaagde ik er in om toen bij Singer in Rotterdam op de werkplaats te komen. Ik begon wat te voelen voor de naaimachinetechniek. (voor dien tijd beschouwde ik dat als speelgoed). En zoo ben ik toen daar 2 jaar werkzaam geweest. Ik leerde daar vrij veel, maar was er overigens niet op mijn plaats. Het loon was minimaal. Er was totaal geen colegialiteit De Duitse chef was een arrogante vent. De zaak en de werkplaats waren zeer primitief ingericht, maar het geld werd in huis gesmeten, doch de beloning van het personeel en de inrichtingen van werkplaats en winkel was omgekeerd evenredig aan deze geldstroom. Ik had daar een leermeester, die als hij dronken was zich de felste antipaap toonde, vijandig tegenover mijn vader, die hij ternauwernood kende en zich verbeelde te behooren tot de knapste menschen in zijn vak.
Ik heb tijdens mijn Rotterdamse periode menigmaal een harde strijd met mezelf moeten voeren als ik daar op de Maas en in de havens die mooie moderne schepen zag liggen, dan bekroop me de lust weer om daarop te varen want dat waren zeekastelen in vergelijking met die drijvende doodskisten die ik uit de praktijk kende. Gelijk ik hier voor reeds zeide, verdiende ik tijdens mijn zeetijd een tamelijk loon en kon me zoo een en ander permitteren. Nu liep ik hier in Rotterdam rond waar ik niemand kende, in een schraal kosthuis en had ternauwernood een dubbeltje op zak om een sigaar te kopen. Slechts de overweging dat ik moreel ten onder zou gaan, indien ik weer zeeman werd, heeft dan meestal de overhand gehouden om te blijven waar ik was.
Het mij altijd een bittere herinnering gebleven dat mijn ouders, die toen langzamerhand in gunstiger omstandigheden konden leven, want mijn beide eigen zusjes verdienden en brachten wekelijks wat in, dat men mij als een jongen van 20 jaar, die andere tijden gekend had en toen ruimschoots, ja, het overgroote deel van zijn overgespaarde loon, thuis afgaf, waar praktisch niets tegenover stond,want ik was bijna altijd weg, kocht mijn eigen benoodigdheden, dienstkleding kreeg ik van de reederij enz.-nooit met eenig zakgeld heeft ondersteund.
Ik had mijn ideaal, omrede de zware huiselijke zorgen, n.l. om met het gespaarde geld verder te studeren moeten opgeven en nu was dit het gevolg. Uiteraard heeft dit feit veel invloed uitgeoefend op mijne waardering en houding tegenover mijn vader, doch meer nog tegenover Moeder. Ik kon veel begrijpen, zij hadden het zeer zwaar en moeilijk gehad door de jaarlijkse gezinsvermeerdering, door tegenslag in zaken enz.- maar daarin had ik toch ook voor 100% gedeeld, ja, ik kan zeggen, geen van al de anderen kinderen hebben er een begrip van klaar genoeg van wat ik aan misère thuis meemaakte. Het heeft geen zin hierover nu nog verder uit te weiden, het ligt ver achter ons, ik heb het hun vergeven, maar zal het nooit vergeten, want ongetwijfeld heeft een en ander een stempel op mijn geheele wezen achtergelaten.
7a
Het was een trieste eenzaame jeugd. Ik heb weinig zonnige dagen gekend en men verstond thuis, om het nu maar zacht te zeggen, de kunst niet om het kind, des kinds te geven. s’Werelds loop is grillig, mijn vader had voor dien tijd en voor zijn omgeving een werkelijk goede opvoeding en vorming genoten. Nu trof hem het groote verlies van Moeder en bleef hij met drie kleintjes zitten, maar hij was nog maar nauwelijks 30 jaar, was gezond en flink, had een behoorlijk bestaan en daarom is het voor mij altijd onverklaarbaar geweest dat hij na ruim drie jaar weduwnaar geweest te zijn de keuze liet vallen op de vrouw, die ik als 2de moeder zooveel jaren heb gekend en die in ontwikkeling, beschaving en mentaliteit zoo oneindig ver van hem afstond – en nu daarover niet meer.
In Haarlem was een confectie fabriek in oprichting die voor dien tijd tot de grootste van het land zou gerekend kunnen worden. De naaimachine-installatie werd bijna geheel door Oom Frans als vertegenwoordiger der Singer-maatschappij geleverd en hij maakte van die gelegenheid gebruik om mij als technisch man aan te be- velen om bij den opbouw van het bedrijf werkzaam te zijn, omdat daarmede tevens het monteren van motoren, dinamo’s, deijfwerken, verlichting enz.in een hand lag.
Mijn nieuwe baas nam mij direct aan en zoo nam ik op de kortsmo- gelijke termijn ontslag in Rotterdam, waar ik zonder eenige wee- moed vertrok. Dat vertrek ging intussen niet zonder incidenten, want plotseling kon mijn hongerloontje bijna verdubbeld worden. Ik weigerde. Toen ondervond Vader in Amsterdam de weerslag bij zijn chef en Oom Frans schijnt er tenslotte ook nog iets over te slikken gekregen te hebben. In mijn plaats moest toen Rotterdam een “dure” kracht aannemen (Leeuwenberg).
Ik moet hierbij nog invoegen, dat Oom Frans, die als voogd optrad na het afsterven van Moeder, deze plicht wel zeer serieus opvatte. Op verschillende tijdstippen in mijn leven, in mijn jongenstijd, heeft hij zijn invloed ten goede van mij aangewend, nu eens in het belang van mijn maatschappelijke positie en dan weer in dat van mijn geestelijk leven. Een voorbeeld gaf ik hierboven reeds aan en dit wil ik nog met een ander voorbeeld aanvullen.
Tijdens mijn zeetijd op zee en elders had ik er toch behoefte aan om zoo nu en dan Oom Frans in Haarlem op te zoeken, waar hij inmiddels gehuwd was. De ontvangst was altijd hartelijk en vol belangstelling naar alles wat ik zoo al beleefde, maar het ontging hem blijkbaar toch niet dat van het nakomen mijner godsdienstplichten weinig terecht kon komen. en zoo stelde hij op een keer de vraag of ik mijn Paschen ook gehouden had, Waarop ik ontkennend moest antwoorden en daar had je de poppen aan het dansen, het huis was te klein; zooiets had hij nog nooit in de familie beleefd. Ik werd weggezonden en niet eerder terug verwacht dan nadat ik aan deze christenplicht voldaan had.
Hier springt weereens het groote verschil in het oog tusschen de huiselijke sfeer in het gezin van hem en zijn broer, want bij de laatste hield de moederlijke interesse op bij het opstrijken van mijn overgespaarde geld en daarmee was alle liefde uit.
Ook mijn twee zusters deelden altijd de voogdelijke belangstelling van Oom Frans.
Het is opmerkelijk dat deze twee broers, die gelijk ik reeds memo- reerde als klitten aan elkaar hingen toch in levensopvatting en vooral in plichtsbesef zooveel verschilden, mijn vader had veel relaties van allerlei aard: uit de kledingsbranche, onder zijne collega’s en de diverse winkelchef’s der Singer Mij. die hem allen goed kenden en ook gaarne leiden mochten, omdat Vader meestal aangewezen werd door zijn chef om moeilijke gevallen van verkoop of techniek in de provincie’s op te knappen. Hij spande zich daar dan ook steeds voor in en bereikte meestal goede resultaten.
8
Menige jonge mechanieker kwam door Vaders bemoeiing vooruit en werd filiaalhouder. Andere kregen door Vaders voorspraak een plaats op de kantoren, maar voor zijn eigen kinderen wist hij niets te bereiken of deed er althans geen groote moeite voor. Dat was met Oom Frans heel anders, ook hij was gaarne bereid andere te helpen maar zijn eigen familie in casu zijn neef en anderen hadden bij hem voorrang. Toen ik ouder werd botste het thuis meermalen met mijn pleegmoeder en daar ik niet toegaf omdat ik in mijn recht stond, werd Oom Frans als arbiter er bij geroepen. Nooit heeft hij mij, na beide partijen gehoord te hebben, een berisping gegeven of getracht een bepaald geval recht te praten daar was hij te rechtvaardig voor en te logisch. Hij zeide eenmaal:”Ik versta dat je uit respect voor je vader een bepaalde zaak niet verder oprakelt en bedenk ten slotte dat het toch man en vrouw blijft”. dan wist ik genoeg en liet het erbij. Uit het voorenstaande zou men kunnen afleiden dat er ook wel tweedracht tusschen de kinderen uit het tweede huwelijk en ons zou heerschen, dit was echter niet het geval, er heerschte altijd eene goede verhoudeng, eerst veel later toen het gezin zich van lieverlede oplostte door huwelijk of vertrek naar elders, ontstond er min of meer verwijdering, iets wat trouwens een normaal verschijnsel is. Mijn zwervers en zeeman’s bestaan heeft toch verschillende aardige herinneringen bij mij achtergelaten, waarvan er hier enige volgen.
Met de “Berenice” een oude rotschuit gingen we een vrachtvaart maken naar de Middellandsche zee en deden daar verschillende handelshaven’s aan. In sommige bleven we maar eenige uren en in andere een of twee dagen, dat was afhankelijk van de te lossen of te laden vracht. Soms ook van het weer of van het getij. De vaart door het Eng.se kanaal en de golf van Biscaye was nogal eens woelig vooral van de laatste, dan ging zoo’n oude schuit te keer, kraakte en stampte en omdat het een betrekkelijk klein schip was, slingerde zóó dat gemiddeld niet meer dan vijf of zes mijl gelopen werd, dan was het geen pretje noch aan dek noch beneden, Aan dek kwamen bergen water over die alles deden trillen en soms luiken, panelen en kleine ruitjes van glas van meer dan 1½ cm. dik kapot sloegen. De matrozen moesten zich als ze van voren of van achteren kwamen aan kettingen of touwen vasthouden. De kok kon in zijn kombuis weinig of niets klaar maken en wat er van het fornuis kwam dat was nauwelijks naar het volkslogies of de hutten te vervoeren zonder dat de ketels half leeg raakten of overliepen van het overkomend zeewater. In zoo’n stormperiode was het dan ook meestal alle dagen bruine bonen. Er werden allen dan aardappels gekookt als het scheepsvolk de piepers zelf schilde, de kok had daar geen tijd voor, Maar afgezien van alles een fijnproever mocht je nooit zijn, want dan ging je dood van de honger. Zooals het op dek spookte, zoo of nog erger was het beneden in de machinekamer en stookplaats. Alles wat niet vastgezet was vloog van zijn plaats, oliekannen, gereedschappen, emmers enz, en niet te vergeten de heren stokers en de heren machinisten zelf, als ze geen zeebenen hadden. Het water, dat altijd onder in een schip zich verzamelt en waar men bij een rustige vaart weinig van bemerkt, spuit dan door de naden en kieren van de machinekamervloer gemengd met afgewerkte olie en steenkolengruis, zoodat je niet staan of gaan kunt. De stokers kunnen slechts met de grootste moeite de vuren bedienenen- en meestal is de stoomdruk niet op de rode lijn te houden en het gebeurde soms dat de ploegen stokers en machinisten elkaar niet konden aflossen, omdat het levens-gevaarlijk was om van het achterdek naar het middendek te komen.
8a
Die oude schepen hadden nog geen communiecatiegangen tusschen logies- en machineruimten onder in het schip. Die stormtijden, welke soms dagen aanhielden maakte de bemanning “gaar” en het was een verademing als de zee weer rustiger werd, hoewel de deiningen, die dan meestal volgden ook niet aangenaam waren. In de machinekamer moest je gedurende dientijd bizondere zorg besteden aan de lenspompen, die door het vuile boordwater gemakkelijk onklaar raakten. Ik had een 1ste machinist,die ok altijd moest assisteren en die gedurende storm op zijn knieën en met opgestroopte mouwen het vuil dat voor de zuigbuis van de lenspomp kon komen trachtte optevissen. Hij vergat daarbij echter zijn “pierenverschrikkertje” niet (jenever of rhum), dat was zuiver angst en nervositeit. Onder de spaans-portugeesche kust werd het weer gewoonlijk beter en de temperatuur milder. We voerden de Taag op tot voor Lissabon waar je de omgekeerde wereld ziet. Het laden en lossen gebeurt daar door vrouwen, terwijl honderden luie kerels aan de kade liggen sigaretten te roken!! Vandaar weer naar de straat van Gibraltar en de Middelandsche zee in. De koers gaat daar of noord-oost langs de Spaansche kust en havens naar Marseille of oostelijk als Spanje of Marselle niet aangedaan werd. Bij normale vaart kan men bij helder weer s’avonds laatstgenoemde stad reeds, zien liggen. Na de geheele nacht doorvaren is men eerst de volgende morgen onder de Fransche zuidkust. Een prachtig panorama op de witte stad, geheel in tegenstelling met de havenbuurt als men die wat nader bekijkt. Zoo is het ook met Genua, maar deze ligt in een prachtige baai en is amphitheater-gewijs tegen de bergen opbebouwd. De geheele vaart langs de kusten, eilanden en zeestraten in de Middelandsche zee zijn prachtig en interessant en naarmate men meer oostelijk komt verandert het aspect van het land en type van volk. In Smirna valt dit al zeer sperk op. Hier hangt een geheel Aziatische sfeer. Alexandria in Egypte als zeehaven van Cairo en de andere Noord-Afrikaansche havens hebben weer een geheel ander karakter als de vorigen. Uiteraard is mijn kennismaking maar een zeer oppervlakkige geweest, zou ik er nog eens komen in dit leven, dan zou er heel wat meer van te vertellen zijn. Het waren altijd slechts korte pauzes dat de vaart onderbroken werd en het werk, dat er dan voor het machinepersooneel te doen viel was meestal een beletsel om veel van steden en hunne bewoners te zien. Het waren allemaal slechts vluchtige indrukken, die je kon op doen. Het klimaat was er heerlijk en de vruchten die er te koop waren smaakten verrukkelijk zoet. Ik maakte enige van zulke reizen ook in noordelijke regionen. De Noord- en Oostzeehavens zag ik, maar over het algemeen is er niet zoveel interessants te zien en te beleven. Bremen, Hamburg, Lübeck, Stettin, Koningsbergen, Dantzig en Kroonstad zag ik heel vluchtig, ook Elseneur, Malmö, Stockholm, Kopenhagen en Bergen en Christiania ( later Oslo). Ook in die richting kon het op zee erg spoken en vooral onder de Nederlandsche kust was het dan gevaarlijk. Als je zoo’n heele wacht de machine “opgevangen” had, daarbij het voortdurend gebonk van de golven die overkwamen en het doorslaan van de schroef, dan werd er heel wat van je physieke krachten gevorderd en van slapen kwam evenmin onder zulke omstandigheden veel terecht. Ik sluit hiermede deze zeevaart historie af. Gelukkig heb ik op tijd nog het roer omgegooid uit overweging dat er niet voldoende perspectiefen in lagen, want daarvoor waren hogere diploma’s nodig.
9
Voor het moreele leven is het zeker goed geweest. Toen ik enige jaren bij de fa. van Vriesland in Haarlem werkte, ik reisde dagelijks per trein van Amsterdam erheen, leerde ik een aardig meisje kennen, dat haar leven aan het mijne verbond en ik hopp dat dit nog veele jaren onveranderd zoo zal blijven. Toen dit op 7 Augustus 1902 een voldongenfeit werd, sloot ik daarmee de jongens-en vrijgezellen-tijd af en begon een gelukkig jong gezinsleven. Vanaf dien tijd werd de band met het ouderlijk huis en de jongere broers en zusters losser. Mijn voorbeeld om het huwelijksbootje in te stappen werd door anderen gevolgd. Vòòr mij trouwde mijn zuster Mina reeds, en ná mij volgde Rika. Hoe de volgorde verder was, weet ik niet precies. Het was aanvankelijk niet ons voornemen zoo spoedig te trouwen, want mijn meisje en ik hadden beide geen geld om een huisje in te richten. Waarom ik geen geld had, heb ik reeds in het hier voorgaande verteld. Bij mijn meisje thuis moesten de gezinsinkomesten ook al door haar op peil gehouden worden. Zij had het costuum-naaien van haar oudere zuster geleerd en werkte met deze samen totdat Agatha ging trouwen en zij dus alleen bij hare ouders overbleef. Het zag er op dat tijdstip niet naar uit dat er gauw kans zou zijn om een eigen HEIM te stichten. Toch had vooral ik sterk behoef te aan een eigen thuis. Alle dagen zeer vroeg op, naar den trein, s’avonds betrekkelijk laat thuis als het gezin reeds lang het maal op had en dus voor mij nog eens moest gekookt worden. Een rommelig ongezellig thuis waar veel zich afspeelde, wat niet naar mijn smaak was en tenslotte nog altijd geldgebrek of misschien wel geldzucht, waardoor ik terwille van de lieve vrede wel genoodzaakt was om een groot deel van mijn salaris in de bekende put te werpen en daardoor zoo goed als niet in de gelegenheid kwam om een spaarpot te maken-.
Er kwam toen een omstandigheid tussen die hier enige verandring in bracht. Vader en Moeder Copini braken in de nieuwe Leliestraat hun zaakje op en gingen in Hillegom bij huns zoon Arnold wonen wiens vrouw ernstig ziek was. Mijn meisje ging aanvankelijk naar Hillegom maar moest toch voor hare werkzaamheden dikwijls naar Amsterdam, zoodat zij feitelijk geen vaste huisvesting meer had en ook andere redenener ons toe deden besluiten om toch maar zoo spoedig mogelijk te trouwen. Dit was geen makkelijke opgaaf, geen centen en toch op korte termijn trouwen. We hebben het toch klaargespeeld, het is moeilijk geweest. We hebben zeer zuinig moeten leven, er kon weinig overschieten voor eens uit te gaan, wat dan ook sporadisch voorkwam, maar we waren gelukkig en streefden van het begin af naar wat meer comfort, dat in dien tijd en met onze opvattingen nog wel bereikbaar was. De levenseischen lagen nog niet zoo hoog. De vacanties waren nog niet algemeen, een of meer weken naar “buiten” was meer een uitzondering dan regel. Ik had een week samenvallend met de Haarlemse kermis, doch ook deze week konden we niet aan uitgaan denken,omdat de eerste jaren of wel een jong Verbeekje gekomen of wel zeer spoedig te wachten stond. We werden wel gezegend, maar niet in den vorm van “aardsch slijk”. Zooals ons begin is geweest d.w.z. zeer sober, we trouwden op het stadhuis voor Fl.5.- met circa een zestig andre paren en dezelfde dag in de “Zaaier” door pater Wolters. Waar we ook een zeIfde bedrag hadden te voldoen en daarmee waren onze verplichtingen geteld. Toen we begonnen woonden we op het Klein-Heiligland op een bovenhuisje van Fl. 3.- per week.
9a
Daar wordt op 9 Mei 1903 Marie geboren. Toen verhuisden wenaar het Leidscheplein 42 , waar een jaar later op 13 Juni 1904 Antoon kwam en weer ruim een jaar later Tieleman [=Tieleman Alexander * 4-11-1905 / † 13-10-1983 ] op 4 November 1905. We hadden op dat Leidscheplein een aardige woning met een tuintje en zouden niet zijn weggetrokken als de nieuwe eigenaar op een morgen onzen tuin met schuur en al had ingepikt en er dus voor de kinderen geen speelplaats meer was. We verhuisden daarop naar de Schotersingel een groter maar somber huis en verlieten dit dan ook weer spoedig om tenslotte terecht te komen in de Cronjéstraat boven “de Roode winkel” van Oom Thomas, waar we weer een leuke woning terug vonden. In Haarlem hadden we wel geen weelde gekend, hadden we geen overlast van familiaire belangstelling, we waren op ons beide aangewezen, maar we gingen nogal veel wandelen met de kinderen en als we s’avonds een oppaster komden krijgen, gingen we naar de muziek in den Hout. We leerden in die tijd Carel Dammers kennen die veel thuis kwam bij ons en waarvan we later ook in Amsterdam nog veel hulp en vriendschap hebben genoten. Intussen had ik op de fabriek bij van Vriesland verschillende ideeen uitgewerkt. Ik construeerde een zesvoudige pantograaf en later een zeer snelloopende festoneermachine als tegenhanger van de Dürkoppconstructie en ging daarmee tweemaal naar Berlijn om er een Duits patent op te krijgen. Het Patenteanwallts-bureau Brandt en Nowrosky zou deze zaak voor ons behandelen maar heeft er nooit veel van terecht kunnen brengen. Wel konden we tenslotte een bescherming krijgen op enkele details der machine maar daardoor was er nog geen garantie dat anderen niet door een kleine ombouwing iets dergelijks konden namaken. De verkoopbaarheid van het patent was daardoor te dubieus geworden en zoo moesten we onze pogingen opgeven om er iets (of veel) mee te verdienen. De modelmachine heeft toen nog eenige jaren in de fabriek dienst gedaan en was gemiddeld 25% productiever dan de Dürkopp. Mijn vader verkocht bij mijn firma een Singermachine met pantograaf. Er werden monsters mee gemaakt en deze sloegen geweldig in op de kinderkleeding van de firma van Vriesland, maarr— geen 10% der orders konden uitgevoerd worden ook niet toen een 2de machine was aangeschaft. Ik had vernomen dat er in Amerika een combinatie van 6 machinekoppen met één pantograaf in de handel was, maar alle nasporingen om er meer van te weten te komen faalden. Toen ben ik zelf aan het experimenteren gegaan en na veel proeven slaagde ik eindelijk na meer dan een jaar er aan gewerkt te hebben. Het resultaat was prachtig. Voorheen maakten 2 boduursters gemiddeld 65 monograms per dag en toen maakte een meisje er 290 per dag. Daarbij was de uniformiteit der figuren volkomen, omdat de meervoudige pantograaf door één hand bewogen werd. Eenige jaren later kreeg ik een Deutsche Nähnachine-Zeitung in handen waarin de Amerikaanse machines met de pantograaf stonden afgebeeld. Het bleek dat het grondprincipe volmaakt gelijk was aan wat ik gemaakt had, slechts een afwijking was er n.l., de Amerikanen hadden voor de gelijke aandrijving der 6 machinekoppen de rijwielketting toegepast, terwijl ik daarvoor een as met 6 paar conische tandwielen had gebruikt. Het eerste systeem was beter en heb ik dan ook toegepast. Mijn baas wilde aanvankelijk ook deze combinatie door een patent laten beschermen wat natuurlijk niet zou lukken toen vast stond dat het reeds in Amerika bekend was. Overigens heb ik van deze constructie veel plezier beleefd, niet allen beloonde mijn baas mij’met een behoorlijke verhoging van
10
salaris, (wat ons zeer goed van pas kwam door die kinder zegen) maar er kwamen ook bijna dagelijks belangstellenden in onze fabriek kijken naar de werkeng van den pantograaf. Vooral toen het meisje routine kreeg en later nog een tweede combinatie klaar was, bediend door een zeer handige borduurster, was de productie enorm en het succes groot. Een indirect voordeel volgde er nog voor mij uit. Later toen ik mij in Amsterdam had gevestigd, want toen droeg de Fa. A.Cohen en Co. in de Planciusstraat mij het maken van zoo’n pantograaf combinatie op, voor die tijd en voor het formaat van mijn nieuwe zaakje een aardige order. Onze firma maakte in latere tijd nog eenigen van deze combinaties. In de 9 jaar dat ik bij v. Vrieland werkzaam was, heb ik nog veel ervaring opgedaan niet alleen in de naaimachinetechniek maar ook in de gas- en electrotechniek. We leefden toen in de tijd dat de speciaalmachines in opkomst waren. Het machinepark van v. Vriesland bestond bij het begin van dit bedrijf uit circa 100 kortarm. C.B.machines (kl1. 15 K 29) op 2 rijen trogtafels ieder van 50. en 25 speciaal machines op evenzooveel tafels. Onder de speciaalmachines waren 6 knoopgatmachines (Nat.Button holes) 4 festonneermachines, 2 knoopaanzetters, 2 kurbelborduurmachines en nog eenige anderen. Verder 2 circelmes-snijmachines op zuil en gedreven vanuit het algemeene drijfwerk: Een 36 P.K. Groseley gasmotor met het nodige drijfwerk door de geheele fabriek. Eenige tijd later kwam er een uitbreiding tot een totaal van circa 200 machines. Het gaslicht werd vervangen door electrisch met een eigen stroomopwekkingsbedrijf. Langzamerhand werden veel 15K29 machines vervangen door 44-20 types. Veel speciaalmachines kwamen er bij of vervingen verouderde types. Als er nieuwe speciaal machines uitkwamen, niet van Singer, dan moest ik ze gaan zien en beoordelen of ze voor de branche geschikt waren. Dit laatste gaf nogal eens wrijving met de firma’s Leeuwenstein en Singer eenerzijds en mij anderzijds. Men wist natuurlijk dat het aankopen van een machine veel van mijn oordeel afhing. Van Singer zoowel als van Leeuwenstein ging menige proefmachine retour, die van Singer werden door mijn vader geintroduceerd en die van Leeuwenstein door de Heer van Rijn, een zeer knappe technieker en goede verkoper. Als nu een Singer proef machine niet voldeed dan zorgde ik dat mijn vader dit spoedėg wist, zoodat hij de gelegenheid had om er iets anders in de plaats te stellen, bij de Heer van Rijn ging dat niet zoo gemakkelijk omdat deze niet zoo gemakkelijk te bereiken was voor mij. Ik trachtte steeds in mijn beoordeling objectief te blijven maar kon toch niet vermijden dat dan de eene dan de andere firma meende dat ik de oorzaak was van mislukking eener proef. Uit later contact, toen ik zelfstandig geworden was in Amsterdam heb ik dit ondubbelzinnig ervaren, want waar men mij kon tegenwerken, waar men ons werk of artikel kon afbreken daar werd dit gretig gedaan, zoowel door de respectievelijke monteurs als door de directies. Desondanks zijn we er toch gekomen, al heeft dat dan ook veel moeite en volharding gekost. Inmiddels waren er in Haarlem 2 confectiefabrieken, die, dat bleek later, door éénzelfde man gefinanciert werden. Toen er malaise aanbrak kwam de aap uit de mouw en kreeg ik opdracht om de geheele installatie der andere fabriek, circa 50 machines in totaal, in den korts mogelijke tijd over te plaatsen en in te schakelen in het bedrijf van v. Vriesland. Nadat deze samenvoeging eenige maanden geduurd had, was de tweedracht tussen de beide directeuren zoo toegespitst, dat ik weer opdracht kreeg om met dezelfde spoed de beide installaties weer te scheiden en in de oude toestand terug te brengen.
10a
Hoeveel deze korte unie gekost heeft weet ik niet precies, maar in ieder geval veel! Het schijnt dat het bovenstaande het vertrouwen der zaak van v. Vriesland geen goed heeft gedaan, want het liep daar niet meer vlot. Mij gaf het aanleiding om te solliciteren als praktijk-leeraar aan de 2de Ambachtschool in Amsredam, waarvan ikzelf oud-leerling was. Het aantal lesuren dat ik zou krijgen was echter te gering om er mijn gezin van te kunnen onderhouden en daarom trok ik mij terug. Inmiddels draaide het bedrijf in Haarlem nog eenige tijd door maar de oude “Schwung” scheen er niet meer in te kunnen komen. Nadat ik, gelijk ieder jaar, in Augustus 1908 van mijn vacantie terug kwam kreeg ik met de geheele staf persooneel mijn congé op een termijn van 14 dagen. De fabriek zou geliquideert worden. Op het laatste oogenblik schijnt er toen een compagnon gevonden te zijn en werd het bedrijf op kleinere voet weer voortgezet en zou ik hebben kunnen blijven, maar ik had intussen besloten met een klein beetje hulp van Oom Frans’ zwager Thomas en zwager Cor een zelfstandig bedrijf in Amsterdam te beginnen, waarvoor bereids een werkplaats annex woonhuis gehuurd was. Het noodzakelijkste gereedschap was gekocht en de verdere voorbereidingen waren in gang. Hiermede brak een nieuwe periode in mijn leven aan. We moesten onze woning in de Congéstraat verlaten en in Amsterdam op de Bloemgracht 169 een heel klein kaartenhuisje betrekken, ons bescheiden meubelbezit kon zelfs op geen stukken na geborgen worden in deze kleine woning, maar we konden niet beter. De huurprijs van woning en werkplaats was samen Fl.10,50 per week. Zoo begon officieel op 1 September 1908 de firma C.en H.Verbeek. Tiel was in Juni 18 jaar geworden, had de ambachtschool afgemaaht, daarna een klein jaar bij mij in Haarlem als hulp gewerkt maar kon verder niet aan de slag komen en geen geschikte baan vinden. Het was weer hetzelfde liedje: Opa kon wel voor vreemden bereiken, maar blijkbaar voor zijn eigen kinderen niet. Van het begin af aan had ik ruimschoots werk en ik moet hier gelukkig, in tegenstelling met vroegere ervaring, Opa Verbeek de eer geven dat hij mij veel tips gaf voor werk wat door de Singer of slecht of duur was gemaakt, wat tot gevolg had dat zulke klanten het wel eens met ons wilden proberen. Toch waren de eerste jaren buitengewoon moeilijk. Ik had steeds werk genoeg maar niet al het werk werd direct betaald. Gewoonlijk werden her maandeekeningen. Al spoedig moesten de gereedschappen worden aangevuld, een bescheiden voorraad naaimachineonderdelen moesten er in voorraad zijn. Zoo was het ook met ijzer en staal. Ik had echter geen crediet en moest dus alles contant betalen, naaimachine-onderdelen kwamen onder rembours. Overdag was ik er veel uit om de reparaties buiten de deur te doen en s’avonds en s’nachts moesten de reparaties in de werkplaats uitgevoerd worden. Tiel was nog niet voldoende zelfstandig maar was door mijne afwezigheid veel op zich zelf aangewezen en wist er zich zoo door te slaan, dat het werk op de werkplaats zijn gang ging. Zoo nu en dan werd er ook wel een nieuwe trapmachine verkocht die we direct van de fabriek betrokken,. Ze werden door ons met de handkar van het spoor gehaald en bij de klanten bezorgd. Na ongeveer een jaar zoo te hebben gewerkt, namen we een leerjongen aan. We hadden ook veel draaiwerk. De draaibank moest met de voet getrapt worden en de Jongen moest dus ook meetrappen. s’Avonds en dikwijls ook Zondags moesten de boeken bijgehouden worden. Het was Carel Dammers, die ze voor ons inrichtte, bijhield en mijn vrouw en mij van lieverlede leerde hoe dit boekhouden moest geschieden. Veel heeft Carel Dammers voor ons gedaan, was altijd hulpvaardig, bemoeide zich met de kinderen en bij het Sinterklaas-feest
11
in de eerste jaren, toen wij niet in staat waren wat voor de kinderen met St. Nicolaas te doen, zorgde hij dat er vreugde was onder onze kinderen door de pakjes die hij stuurde. Met de financien liep het dikwijls vast. We hadden soms honderden guldens te vorderen., doch op een gegeven ogenblik geen cent in huis. Huur, de jongen, rembours-zendingen enz.enz.,kwamen wekelijks terug. We moesten herhaaldelijk uitstel vragen. Het weinige aan goed en sieraden moest verpand worden om uit de nood te komen en deze zware gang naar de Bank van Leening heeft mijn vrouw herhaaldelijk met lood in de schoenen moeten maken. Er kwamen allerlei dingen bij elkaar die de dagelijksche zorgen vergrootten. Op 9 Dec. 1908 kwam onze Caspar ter wereld. Aanvankelijk was de beboorte voorspoedig gegaan,doch plotseling nam de toestand van mijn vrouw een ongunstige keer en moest onze huisdokter ingrijpen om het ergste te voorkomen. Vele bange dagen zijn er toen nog gevolgd voor moeder en kind en toch moest het huishouden doorgaan en dat in zoo’n primitieve woning. Eenige tijd later stierf, na een lang ziekbed mijn zuster Mina en liet haar man met 4 kleine kinderen achter in zorgelijke omstandigheden. Haar man behoorde niet tot de snuggersten en zat spoedig met de handen in het haar. Het was een goede man voor zijn vrouw en kinderen, maar hij kende geen vak, dat bleek later, en moest dus van alles aanpakken om aan de kost te komen. Het gevolg was dat de kinderen aan anderen moesten overgelaten worden. Er was er een bij ons, een bij Grootmoeder, een of twee bij een zuster van hem. Natuurlijk kon deze toestand niet bestendigt woreen, zoodat na heel veel moeite de kinderen zijn ondergebracht in broedersof zusters gestichten en ik na veel pogingen er in slaagde dat de betaling der kosten voor verpleging gedragen werd door familie en vrienden van onze zijde. Het is deze kinderen later zeer uiteenlopend gegaan. Het was met een gezin van 4 kinderen niet mogelijk langer op het kleine, bovenhuisje te wonen. Mijn zwager Voorhuyzen ruilde zijn woning in de Potgieterstraat 2 voor een andere woning en zoo trokken wij naar de Potgieterstraat. Dit was een flinke verbetering wat woning betreft. Ze was echter dubbel zo duur en waren we verplicht er een kamer van te verhuren aan Heer Mencke om het huiselijk budget eenigszins in evenwicht te brengen. Het bleef echter voor mijn vrouw en mij ontzettend moeilijk. Voor haar om met haar armoedig huishoudgeld dat ik haar geven kon, rond te komen en ik om op de Bloemgracht de zaak draaiend te houden. Het was nog altijd: te weinig leverencierscrediet en zelf moest ik crediet geven. Ik moet hier met dankbaarheid erkennen, dat toen ter tijd mijn zwager en schoonzuster Voorhuyzen ons dikwijls uit de nood hielpen door tijdelijk geld voor te schieten, dat ik dan vroeger of later terug moest betalen, wat ik gelukkig ook heb kunnen doen, maar een mooie daad was het toch van hen, om zonder zekerheid mijnerzijds dikwijls tamelijk groote bedragen aan mij te lenen. Door tussenkomst van mijn vader kwam ik in contact met de firma Larsen in de Kuiperstraat, de militaire schoenfabriek. Men droeg mij op te maken een naaldklem voor een verouderd type zware leermachine. Ik berekende daarvoor Fl.0,90. Het was een klein uurtje werk geweest, maar de Heeren Larsen vonden het te goedkoop en ik kreeg opdracht mijn rekening te herzien. Hoe of dat verder liep kan ik mij niet meer herinneren, Ik weet alleen dat Singer dat pruts-ding niet kon of wilde maken. Singer raakte daardoor de klant kwijt en wij kregen in de firma een reuzenklant, die indirect oorzaak is geworden van den opbloei van mijn bedrijf. In deze schoenfabriek waren vele machines in gebruik die speciaal gebouwd waren voor het zwaardere militaire schoenwerk. De firma Moenus in Frankfort a.M. bouwde deze hoofdzakelijk, doch blijkbaar niet in serie, doch slechts op bestelling.
11a
Dientengevolge waren onderdelen nergens uit voorraad verkrijgbaar moesten op bestelling gemaakt worden, wat nogal veel omslag veroorzaakte,. Zoo kwam het dat mij herhaaldelijk machine-onderdelen werden voorgelegd met de vraag:” Meneer Verbeek, kunt U dat ook maken?” Meestal was het antwoord “Ja” natuurlijk, temeer omdat de Heeren nooit vroegen wat het zou kunnen kosten. Alle experimenten die ik somstijds maken moest om mijn doel te bereiken werden door de firma Larsen betaald. Hunne eerste en voornaamste eisch was altijd; vlug en goed. Ik had maandelijks steeds grootere rekeningen en als ik in de loop der maand soms eens met mijn betalingen vastliep, dan kon ik gerust met mijn rekening vroeger komen, ze werd zonder meer direct voldaan. Dit was inderdaad een uitkomst voor mij en het financiedde vraagstuk werd daardoor wat beter te dragen. Doch niet alleen doordat ik in staat was incourante machinedelen te maken en natuurlijk ook deze vreemde machinetypes te repareren, was er nog eene omstandigheid waardoor de meer genoemde firma de grootste klant van ons is geworden. Bij de besteding van het militaire schoenwerk werden er meermalen nieuwe eischen aan het werk gesteld en zoo kwam er ook de eisch dat het bovenleer met een gepikte draad moest genaaid worden. Dit bracht een heele opschudding onder de fabrikanten, die gewoonlijk inschreven op het leveren van militair schoenwerk. Men wist er geen raad mee. Van mijn vader hoorde ik dat verschillende fabrieken reeds bij Singer naar zoo’n machine hadden gevraagd, zonder resultaat. Ik construeerde nu op een Singer klasse 45-21 een pekpot die verhit kon worden met gas met een speciale draadhefboom en spanning en een speciale verhitting van den grijper, de baan, het geheele voorfront der machine en waardoor het mogelijk was, de naaidraad, die van de klas door de vloeibare pik liep en vervolgens naar de naald, voldoende soepel bleef om er mee te naaien. Het ging prachtig, de firma gaf er direct twee in bestelling en heel spoedig daarop kwamen ook de bestellingen binnen van de andere fabrikanten die op de militaire aanbesteding hadden ingeschreven. Uit mijn geheugen noem ik hier de firma’s: Larsen, de Booy, Smits, van der Heyden, van Eck en meer anderen, die ik mij niet herinner. Wel weet ik dat we in die tijd in onze kleine werkplaats dag en nacht hebben gewerkt. We werkten om de andere nacht een nacht door en leverden optijd af. Met één machine waren we te laat. We hadden er nog een nachtje opgelegd en s’morgens ging ik met de zware 45 klasse als bagage naar s’Bosch. Ik nam tweede klas, nog niet gebeurd voor dien tijd en sliep van Amsterdam tot den Bosch, waar mijn medereizigers mij op mijn verzoek hebben wakker gemaakt, want ik was een beetje “gaar”. Toen we een paar jaar op de Bloemgracht 169 gewerkt en gewoond hadden, ging, zooals ik hiervoor aleens vertelde, het huisgezin naar de Potgieterstraat en korte tijd later kon ik het onderstuk huren van Bloemgracht 193 met de voorwaarde, dat ik later het woonhuis, dat er boven lag zou krijgen, wanneer de huur van de huidige bewoner om was.Die meneer, een oud-officier, vond het blijkbaar niet prettig dat hij er uit moest en maakte het ons nogal lastig. Eenmaal moet hij de ruiten van de werkplaats hebben ingeslagen. We konden niets bewijzen, dus liep het met een sisser af. Waren we nu in de werkplaats erop vooruit gegaan, in woning gingen we weer achteruit, want die van Bloemgracht 193 was somber en ongerievelijk, maar er stond het gemak tegenover dat ik, waar er meestal bijna geen tijd was om te eten en s’avonds dikwijls laat door mij gewerkt werd, ik eventjes vlug naar boven kon wippan en daarmee veel tijd kon winnen, daar het heen en weer lopen verviel. Intussen was in de Potgieterstraat ons gezin met ons Liesje vermeerderd en ruim 2 jaar later kwam no. 6, onze Arnold op Bloemgracht 193.
12
Het half dozijn was nu vol en daarmee was de gezinsvermeerdering afgelopen. Op de Bloemgracht 193, gingen de zaken overigens weer gesmeerd. Toen we daar goed en wel gevestigd waren, bestond de inventaris uit een snelboormachine, een kleine draaibank, idem een grootere,een slijpkop, de nopdige werkbanken, drijfwerk en een 1 P.K. electromoter. De electrische installatie had ik op afbetaling bij de A.E.G. gekocht, door medewerking van ingenieur van Damme-Jalink, die ik nog van de machinistenschool kende. Ik kreeg van de Heer Loeb der fa. A.Cohen en Co.het verzoek om de prijs op te geven eener lintmessnijmachine, zooals er een bij genoemde firma in bedrijf was. Ik nam het model ongeveer over, liet bij de fa. Zimmer in A’dam de arm gieten. Het onderstel, bestaande uit twee poten uit 4″ hoeklijn waarop een armsgreenen-plank van 2″ dik, liet ik bij een smid in de buurt maken. De wielen waren van mahoniehout met aan een kant met een geelkoperen plaat bekleed, waaraan tevens de naven waren bevestigd voor de as. De machine was in 4 weken klaar en liep naar genoegen en heeft er jaren dienst gedaan. Een tweede kreeg ik in bestelling toen de eerste nog niet afgeleverd was van de firma Andre Herzberger,een derde voor Govers en Striethorst, een vierde voor Abas in Arnhem enz. De eerste vier machines waren vrijwel gelijk van uitvoering, toen kwamen er langzamerhand verbeteringen aan, zooals een opengewerkte arm, gegoten poten van ijzer met 3″ hoeklijn voor onderlinge verbindingen.Lang daarna maakte Kip, onze buurman de Amerikaans greenen tafels nog. Ook meethaken maakten we reeds eenige jaren voordien en ook daarvoor maakte Kip het houtwerk. De bestellingen van snijmachines heeft toen niet meer stilgestaan. We konden de bestellingen bijna niet op tijd uitvoeren wat ook wel kwam, omdat voor het bouwen der snijmachines de ruimte op de Bloemgracht 193 veel te klein was. Inmiddels kreeg ik ergens een Amerikaanse electrische snijmachine met vertikaalmes te zien (Ballard), maar het wilde niet gelukken zoo’n machine als model in het bedrijf te krijgen, toch zijn we ermede begonnen en na veel geexperimenteer kwam er een bruikbare machine te voorschijn. Dag en nacht heb ik daar proeven mee genomen, telkens stonden we voor nieuwe problemen, maar het moeilijkste, dat bleek later, was het materiaal-vraagstuk. De beide genoemde snijmachine-types hielden onze gedachten intussen alle dagen bezig, temeer omdat er langzamerhand meer lingerieen confectie bedrijven werden opgericht en wij niet altijd in staat waren een behoorlijke offerte te maken in al de machines, die bij zoo’n in vraag komen. We kregen nog altijd veel tips van Vader, betreffende nieuwe plannen van firma’s die een eigen bedrijf wilden beginnen. Hoe we ons dikwijls moesten behelpen op de Bloemgracht 193 wil ik hier even illustreren. Als zoo’n lintmessnijmachine gereed kwam en opgebouwd moest worden in de werkplaats, dan kon er practisch geen mensch meer in of uit en kon er geen boormachine of draaibank gebruikt worden en moest de snijmachine er direct uit anders konden we niet meer voort. Het zou te eentonig worden als ik alles moest verhalen van de steeds sterkere groei van ons bedrijfje op 193. We hebben daar lang en intens moeten werken om al de opdrachten uit te voeren en langzamerhand deed zich de behoefte sterker gevoelen naar een grootere ruimte, maar voorlopig konden we niet slagen. Intussen vroeg de firma Larsen onze aandacht voor een nieuw probleem. Bij het militaire schoenwerk wąs nu voorgeschreven, dat de hielnaad van de schoen een spannaad moest zijn; dat is dat de twee leerkanten die den hiel vorment tegen elkaar moesten staan en dat de naaidraad aan de binnenkant van de schoen niet door mocht komen. Het gevolg dezer nieuwe bepaling was dat deze naad met de hand moest gemaakt worden. Het leer moest met een els gekliefd worden op de kant, dan genaaid en uitgewreven. Alle mannen van de schoenfabriek moesten s’avonds vele paren schoenen mee naar huis nemen om met vrouw
12a
en kinderen spannaden te naaien. De fabrikant moest 15 cent per naad betalen en als er dan in het gezin hard gewerkt werd, dan konden er 4 tot 6 paren per avond gereed komen. De menschen verdienden dus nog weinig en de productie van de fabriek was gering. De firma Larsen kocht er bij Singer een machine voor, maar kon er niets mede uitrichten. Over dit vraagstuk hebben we lang zitten piekeren en slaagden aanvankelijk niet, totdat eindelijk de weg gevonden werd en het gewenschte resultaat bereikt werd. De andere fabrieken zaten nog steeds met het geval en werkten nog als hierboven beschreven is, met het handwerk thuis, toen Larsen zijn productie plotseling meer dan verdubbelden kon door onze uitvinding, geen huiswerk meer had uit te geven en één man het dubbele produceerde van wat men voorheen met allerlei hulpmiddelen had kunnen bereiken. Het gemiddelde productiecijfer onzer machine was 30 paar, d.i. 60 spannaden per uur. De firma Larsen betaalde ons een goede prijs voor de machine en ging ermede accoord, dat wij onze vinding lieten patenteren, wat intussen ook gebeurd is, doch resultaten hebben wij daar niet van gezien. We boden de vinding aan bij eenige Duitsche schoenmachine-fabrieken, waarop er een zeer lakoniek reageerde met ongeveer deze woorden: “In Uw patentvrije landje komen de nieuwigheden vanzelf tot ons”. Het feit dat er intussen in Holland ook een patentwet tot stand was gekomen, wat ze blijkbaar nog niet wisten, was niet van invloed op haar standpunt. We hebben nog eenige jaren aan het patentbureau betaald en hebben daarna de machine, die als model gediend had, verkocht aan de firma v.d.Heyden in Waalwijk. De waarde van ons patent was inmiddels ook zeer gedaald, doordat het departement van oorlog en marine haar eisch van spannaden in het militaire werk weer lieten varen. De machine bleef uniek in zijn toepassing, maar was b.v. niet geeigend voor ander leerwerk waarbij gekliefde naden eisch is, zooals koffers en tasschen. Ik herinner mij nog levendig, dat toen ik de Heer Jozef Larsen op een avond telefonisch mededeelde, dat ik er in geslaagd was om met de machine de spannaad te maken, zooals de eisch was, dat hij binnen een kwartier bij ons aan de werkplaats was om te kijken en hij kon van opwinding haast niet spreken. Hij zag geweldige mogelijkheden op zijn gebied. Ik geloof echter dat wij beiden ontgoocheld zijn, wat daarom niet zeggen wil dat wij geen van beiden er niet beter van zouden zijn geworden. Het [heeft] hem en ons toch wel een behoorlijke beloning opgeleverd, maar het heeft niet doorgezet. Het heeft ons intussen ontzaggelijk veel hoofdbrekens en tijd gekost, daarbij, dat moet niet vergeten worden, groeide onze zaak steeds meer. Met aantal klanten nam toe, onze reparatie-werkplaats was een succes,omdat wij niet zooals Singer en Pfaff alleen reparaties aan Singerof Pfaffmachines uitvoerden, maar alles aanvaarden. Niet alleen al dat werk moest af, maar wij moesten ook nieuwe krachten kweeken en zoolang die er nog niet waren, moesten we voor de speciaalmachines er bijna altijd zelf op uit. Op Bloemgracht 193 kwam Wilhelm Franz, M.v.Hammen, Terpstra, Wallis. Ludwig? Wiegman en anderen die, behalve v.d. Hammen geen van allen bekwaam waren om de toentertijd meest voorkomende speciaalmachines te repareren. De meesten zijn gebleven, todat ze meenden er genoeg van te kennen zonder zelfs een plasdankje. Het heengaan door overbieden van het loon was toen al even slim als thans. Het verdwijnen van Wallis en Ludwig was al zeer onsympathiek. De eerste was een groote intrigant en huichelaar en de tweede was een geraffineerde dief en oplichter, vrouwenjager en drinkeboer. Deze laatste wilde eenige jaren later de berouwvolle zondaar uithangen,toen hij kwam vragen of hij de indertijd verduisterde nieuwe machines mocht terug betalen door ons goede gebruikte fabriekmachines
13
terug te geven. We hebben er feestelijk voor bedankt, want we hadden de overtuiging dat deze doortrapte deugniet deze machines ook weer elders gestolen had. We waren inmiddets 6 jaar gevestigd. In Mei 1914 betrokken we het huis Bloemgracht 45, beneden het bedrijf, boven de woning, toenmaals voor ons gezin zeer geschikt. Door een inwendige verbouwing beneden kregen we een flinke ruimte, goed daglicht en nog voor uitbreiding vatbaar. De bouw van electrische snijmachines ging gestadig door en ook de bouw van lintmesmachines nam sterk toe. Toen brak in begin Augustus de eerste wereldoorlog uit, die gepaard ging met een algemeene paniek op monitair gebied. Als bij toverslag werd alle crediet ingetrokken door leveranciers van allerlei gading. Bij ons was het o.a. R.S. Stokvis en de Amsterdamsche poetsdoekenfabriek. We hebben deze firma uitgesloten en op de zwarte lijst gezet en nooit meer iets daar gekocht. De spaarbanken werden bestormd, dag en nacht stonden er menschen in inde rij voor de banken, maar terwijl de voorsten uit de rijen nog om hun geld terug te halen stonden, formeerden zich aan de staart alweer menschen bij wie het vertrouwen en de rust was teruggekeerd en die hun geld weer op het boekje lieten bijschrijven. De firma Larsen liet ons vragen om, gezien de te verwachten groote legerorders of wij hun firma voorrang wilde verlenen bij alle werkzaamheden die ons mochten opgedragen worden. Tegenover zoo’n belangrijke relatie konden we toen niet anders dan op dit verzoek in te stemmen. We hebben toen maanden achtereen dag en nacht gewerkt met 2 ploegen om het werk voor Larsen klaar te krijgen. Alle uitvoer van machines en onderdelen uit Duitslahd was stop gezet, wat dus betekende dat er geen electromotoren (toen in opkomst), lampen, naaimachines en honderde andere dingen kwamen niet meer over de grens. Eenige weken later kwam er ook een uitvoer-verbod van geconfectioneerde kleeding, Dat dit laatste ook wat beteekende spreekt uit het volgende cijfer; in de eerste 7 maanden van 1914 was door Duitsland voor ruim 40 millioen mark aan geconfectioneerde kleeding in Nederland ingevoerd. Men zag nu gebeuren dat vele Duitsche firma’s, die hier hun vertegenwoordigers hadden aan deze vertegenwoordigers opdracht gaven om kleedingfabrieken op te richten. Als paddestoelen rezen ze uit de grond. Vele van deze oorlogsbedrijven verdwenen weer betrekkelijk vlug, door onkundige leiding, maar ook wisten zich er velen te handhaven of van een onbeduidend bedrijf uit te groeien tot een belangrijk bedrijf. Voorzover ik mij herinner zijn daar thans nog van o.a. Frischmann, Bangma, Janssen en Neumann, Albert Heim, N.C.L.Skars en Moorman. Maar ook de heerenen kinderconfectie groeiden toen met sprongen, evenals de overhemdenfabrieken. Ik durf me hier niet meer te wagen aan het noemen van namen, maar het waren er vele. Ook daarvan zijn vele verdwenen, en ook een groot getal gebleven en uitgegroeid tot groote bedrijven, die een artikel maken dat dikwijls beter is als het buitenlandsche. Ik ben hier zoo diep op in gegaan omdat ook ons bedrijf van deze nieuwe bedrijven natuurlijk de neerslag ondervond in de vorm van nieuwe klanten. Dit, genomen bij de overlading van orders door de firma Larsen geeft wel een kijk in onze positie. We konden het eenvoudig niet aan en vele opdrachten voor snijmachines moesten soms 3 en 4 maanden wachten. Aan de andere kant was ook onze gieterij overbelast. Becking en Bongers leverde om dezelfde reden van overbelasting ook traag, bovendien werd de kwaliteit van het gietijzer zeer slecht en was bijna niet meer te verwerken. Ik was veel op reis om grondstoffen en materialen tegen dikwijls malle prijzen te kopen. Voor de firma Karsen ben ik drie maal in
13a
de oorlogstijd naar Aken geweest om naalden los te krijgen voor de aflap- en doornaaimachines.
Met behulp van een speciaal regeringspaspoort, een document dat zwaar was van de lakstempels die er op zaten, van consuls, notarissen, burgemeesters enz., kon ik de grens passeren en moest dan in Aken gewoonlijk een of twee dagen blijven om ze mee te krijgen. Aken had in 1914-1918 70 lazaretten, het was pijnlijk om te zien hoeveel honderden herstellende gewonden daar door de straten strompelden met hun vrouw of meisje. Er was geen hotel te krijgen en de naaldenfabrikant meest zorgen voor mijn logies, dat waren interessante tijden om te reizen maar niet zonder risico’s.
Al schrijvende moet ik nog even eenige jaren teruggaan. De firma Klisser en Citroen zocht mij aan om tot een zekere samenwerking te komen, teneinde de Adlermachines, die zij vertegenwoordigden hier beter te introduceeren. Ik nam aan mij in Bielefeld eenige weken te orienteeren omtrent alles wat Adler maakte en voor de Nederlandsche markt geschikt kon zijn. Bij het einde van het bezoek wenschte ik ook de nodige gegevens te hebben betreffende de inkoopprijzen enz. Er bleek toen dat de firma Klissen en Citroen, Adler verzocht had mij daaromtrent niet in te lichten. Ik keerde naar huis terug met een ongunstige indruk van beide firma’s en wees hun voorstel tot samenwerking voor goed van de hand. In Haarlem was ik kerkzanger in de respectievelijke parochiekerken waaronder we daar hoorden, in Amsterdam was ik spoedig lid van het Posthoornkoor, omdat mijn vader daar reeds jaren lid was, introduceerde hij mij daar ook. Daar leerde ik o.m. Antoon Backhuys kennen, die daar ook kort voor mij lid was geworden. We zijn daar vrienden geworden en zullen het wel tot het einde van ons leven blijven. Veel lief en leed maakten wij beiden in ons familie leven mede. In zijn huisgezin stierf zijn eerste zoontje en nog eenige malen ging ook later de blijde verwachting niet door. O.L.H. heeft hem slechts twee kinderen gegeven, die in het leven bleven, terwijl bij ons het half dozijn gelukkig lang bijeen is gebleven. Onze vriendschap is nooit overlopend geweest. We bleven in vele dingen ieder op eigen terrein, maar de respectievelijke verjaardagen en andere hoogtijdagen werden wederkeerig nooit vergeten of overgeslagen. Met veel genoegen denk ik altijd terug aan de dol gezellige koor repetitieavonden, de jaarlijksche potverteringen die wij samen, dikwijls van onze vrouwen vergezeld, vooraf moesten bespreken, waar natuurlijk het proef eten en drinken bijhoorde. We hebben dat jaarlijksche karweitje zeker 10 of 12 maal opgeknapt en ik kan met trotsch hier zeggen dat het meestal in de smaak viel bij de andere heeren. Er was altijd “reuze gein” en de heeren “stonden” elkaar, konden veel van elkaar hebben, omdat ze elkaar al zoo lang en zoo goed kenden. Er stond het nadeel tegenover dat een nieuweling bijna nooit kans zag om zich bij de ouderen aan te sluiten. De meesten waren korte tijd candidaatslid, maar verder kwam het dan gewoonlijk niet. Zoo bleef dat Posthoornkoor jaren hetzelfde, er ging niet af maar er kwam ook niet bij. Intussen kwamen er toch wat jonge lui die blijvertjes bleken te zijn. Over hun zangkwaliteiten vel ik hier geen oordeel, maar wij konden ons er niet bij aansluiten, en het gevolg was dat de een na de ander van de oude garde van het koor verdween. Ik werd zanger af en Antoon keerde naar zijn eerste liefde terug, dat was de Mozes en Aaronkerk. Glijk gezegd, onze oude vriendschap is hecht gebleven en het heeft er zelfs de schijn van dat nú reeds de jongere generatie van weerzijde elkaar hebben gevonden om de vriendschap op dezelfde voet voort te zeten. Er moeten zoo hier en daar, tussen de verschillende periodes in ook meldingen gemaakt worden van werken en strevingen voor het algemeen welzijn waartoe ik het mijne heb bijgedragen. Daaronder mag ik noemen mijn ijveren voor het idee van staatspensionering. Door een vlugschrift dat mij in 1903 in handen kwam, werd mijn
14
aandacht gevestigd op een groot menschelijk leed waaronder vele menschen die hun geheele leven lang gewerkt en gezorgd hadden, op hun oude dag ten prooi raakten, dat is ouderdom en armoede. Deze trieste combinatie waardoor in mijn jeugd ook nog vele eerbare, hardwerkende menschen bedreigd werden is thans zoo goed als verdwenen. De huidige jeugd kent gelukkig die toestand niet meer dat in steden en dorpen op de hoeken van de straten, bij het uitgaan van kerken, concerten of theaters arme oude menschen stonden te bedelen of als straattypes zingend door de straten trokken om zoodoende de aandacht op hun ellende te vestigen. Ik heb ze gekend, die beruchte armenhuizen, pakhuizen voor arme afgewerkte menschen, sjouwers, waar ze op de uitgerekenste manier, d.i. de meest karige manier in het leven werden gehouden en dan nog wel in de meeste gevallen naar de sexse gescheiden. Ik heb de propaganda voor dat idee S.P. meer dan 10 jaar gediend. Ik sprak op bijeenkomsten en meetings over het geheele land. Niet altijd naar de smaak der katholieken uit dien tijd. Menig schotschrift zag toen het licht waarin deze propaganda en degenen die ze voerde als socialistisch werden gedoodverfd. De bestrijding stond niet altijd op een hoog peil. Eenmaal kwam een jezuitenpater bij mijn ouders naar mij informeren naar aanleiding van mijn deelnemen aan deze actie. Intussen ben ik rustig mijn weg gegaan en heb ik veel meer dan honderd maal het woord gevoerd in Noord en ZuidHolland maar ook in, Groningen en Limburg. Met voldoening denk ik aan deze actie terug omdat het resultaat gedurende mijn latere leven ten goede is gekomen aan duizende oudjes. Omstreeks 1920 voerde de toenmalige regering een ouderdomswet in die aan alle 70 jarigen of oudere mannen en vrouwen, die op eenigerleiwijze konden aantonen dat zij korter of langer in hun leven in loondienst hadden gewerkt,een wekelijks pensioen van Fl.3.- toekende, dit was een overgangs maatregel naar den tijd dat iedere loontrekkende een reeks van jaren premie zou zijn betaald. Bovenstaande regeling beantwoorde weliswaar nog niet geheel aan onze nastreving maar het was er een geweldige stap naar toe en is in mijn eigen familie zijn er heel wat die nog jaren van deze wet hebben geprofiteerd. Ik ben er trots op dat ik daaraan heb meegewerkt en dat dit pensioen niet beschouwd mag worden als een aalmoes maar als een recht! voor ieder staatsburger -es, die het nodig mocht hebben. In de loop der jaren is deze wet uitgebreid met de invaliditeitswet en zijn de uitkeeringen voor de ouderdomsrente verhoogd. Ik was eenige jaren lid van R.C. Middenstandsvereenigeing die mij in 1917 tot voorzitter koos. We zaten toen midden in de oorlog en ook in ons land begon het spook van honger en gebrek steeds meer te dreigen, vele zaken hadden niets meer te verkopen, ons slachtvee moest voor het grootste deel naar Duitsland in ruil tegen steenkolen, ijzer, en andere zaken die wij hier niet of in geringere hoeveelheid bezaten. Met de groente ging het evenzoo met het gevolg dat ons volk ternauwernood in staat was zich te voeden. Schoenen en leer werd schaars. Door de onbeperkķe duikbootoorlog was de aanvoer van broodgraan in gevaar gebracht,. Op één dag torpedeerden de duitschers 7 groote graanschepen die voor de Ned. regeering op weg waren van Amerika naar Nederland met graan. Niet alleen naderden wij daardoor den honger maar ook den oorlog zelf. In het zakenleven ontstond er paniek en het kostte geweldige inspanning om het volk rustig te houden, daarom was een bestuursfunctie en vooral die van voorzitter in die periode geen sinecure. Het botste herhaaldelijk tussen de diverse overheids en distributieinstanties eenerzijds en de diverse zakenmenschen anderzijds. Er waren in de eerste jaren vele “amateurs” middenstanders opgedoken, die op avontuur uittrokken en niet al te kieskeurig waren in het kiezen hunner middelen om geld te verdienen en natuurlijk waren er onder de werkelijke middenstanders ook vele die niet afkeerig waren van
14a
zoete winstjes al was dan niet alles honderd procent. Deze feiten brachten ons bestuur dikwijls in groote moeilijkheden. Wij moesten herhaaldelijk pleiten bij de gemeentelijke autoriteiten om een strafmaatregel te keeren of om plannen van de gemeente tegen te houden om zelf de dagelijksche artikelen te gaan verkopen met uitsluiting van den middenstand. Door ons optreden is toen nog veel voorkomen. Ik heb ik die jaren veel menschenkennis opgedaan, veel desillusies doorleefd en veel ondankbaarheid en verdachtmaking ondervonden, maar het staalde mij ook in mijn volharding om te verdedigen wat ik recht en redelijk vond en niet op zij te gaan voor een groote bek of voor een breed gebaar van heeren met goudgalon op hun jas of broek. Met veel waardering mag ik hierbij een medewerker gedenken die in mijn later leven altijd een vriend is gebleven, die altijd mijn juiste be doeling aanvoelde en die nooit opzag tegen moeite en strijd indien het ging in het belang van de middenstand, de heer Frans Mensink. Behalve een trouwe medestrijder is hij een diep geloovig katholiek, een echte huisvader en een harde werker die geeerd en gezien is in gen geheelen middenstand. Toen ik als voorzitter optrad telde de roomsche middenstands-vereeniging in Amsterdam circa 850 leden, anderhalf jaar later was dit cijfer 1700. Die groei was abnormaal. Het was niet hunne overtuiging die plotseling al die middenstanders naar organisatie dreef, het was veeleer zelfbehoud en eigenbelang die hen tot ons bracht. Toen dan ook de tijden na den oorlog eenigszins herstelden, gingen velen hunner weer heen en konden ze hun eigen boontjes weer doppen. Onder hen die onze rijen weer verlieten waren er eenigen O.Wers [=Oorlogswinst] geworden, maar veruit de meesten vielen weer in hun oude sleur van individualisme terug en verdwenen zelfs als middenstander van het toneel.De capaciteiten bezaten ze er trouwens nooit voor. Van de mij bekende O.Wers zijn de meesten ook weer spoedig afgezakt tot doodgewone zakenmenschjes. In de tweede helft van dezen wereldoorlog volgden vele feiten die ons volk in beroering en spanning hield, elkaar snel op. Daarbij kwam dat onze moeilijke positie als niet oorlogvoerend land zich meer en meer ging gevoelen. Onze voedselpositie werd steeds moeilijker, de aanvoer van broodgraan was niet alleen precair maar ook de granen voor onze veestapel werd door den vescherpten duikbootoorlog van de Duiters bedreigd doordat herhaaldelijk schepen werden getorpedeerd vooral toen in 1917 Amerika aan den oorlog ging deelnemen. Duitsland bleef grote voorraden groenten, aardappelen, slachtvee en zuivelproducten van ons eischen tegen levering van steenkool, ijzer en andere metalen, zoodat de geheele voedselvoorziening uit haar evenwicht moest geraken. We hadden hier enige honderdduizende geinterneerde Belgische militairen en gevluchte Belgische burgers, dan nog duizende deserteurs van allerlei naties en ons eigen leger van ongeveer 300.000 man die reeds drie jaar onder de wapens waren. Zooals ook thans weer (1944) alle verhoudingen daardoor in disorde raakten. De loonen gingen met sprongen omhoog. Telkens werden nieuwe lichtingen opgeroepen en moesten duizenden die nooit in militaire dienst geweest waren zich melden. Het zaken en bedrijfsleven had natuurlijk hieronder zeer te lijden, terwijl aan den anderen kant allerlei nieuwe oorlogs-bedrijven en zaakjes uit de grond oprezen, die na den oorlog weer even snel ten onder gingen. Van een normale handel was geen sprake meer. De prijzen van levensmiddelen, kleeding en schoeisel gingen met sprongen omhoog en het oorlogswinst maken was de sport geworden met alle nare gevolgen daaraan verbonden. We maakten toen voor het eerst kennis met de disttributie-dienst natuurlijk met alle misère die zoo’n maatregel met zich mee brengt en waar
15
van niemand nog eenig practische ervaring had.
Het was in dien tijd, dat ik met eenige organisatie-vrienden herhaaldelijk als bemiddelaar optrad bij de gemeentelijke autoriteiten om allerlei misstanden, die uit de distributiemaatregelen voortvloeiden te bespreken, mildere voorwaarden moesten bepleit worden, strafmaatregelen die toegepast dreigden te worden tegenover overtreders zoo mogelijk ongedaan te maken of te verzachten enz. enz. We moesten gegevens die ons verstrekt waren door de betreffende vakgroepen als leidraad nemen bij onze besprekingen en dan bleek helaas meermalen dat men ons geen juist beeld had gegeven van de feiten. Ik behoef niet te zeggen hoe onaangenaam onze positie dan was tegenover de betreffende autoriteiten die ons konden aantonen dat men ons geen juiste feiten gegeven had.
Daaruit heb ik geleerd voorzichtig te zijn, om klachten niet voets stoots aan te nemen, zonder eerst zelf de verstrekte gegevens te onderzoeken. Uit dien tijd stamt ook mijn ervaring hoe weinig ontwikkeling en kennis er bij de meeste middenstanders nog aanwezig is. Als er iets is dat dringend verbetering behoeft en niet teugeloos mag voortwoekeren,n.l. het zich maar als zelfstandig zakenman vestigen, zonder eenige waarborg op het gebied van vak en warenkennis, zonder eenige credietwaardigheid en zónder zich te realiseren of er behoefte aan een bepaalde onderneming bestaat, dan is het hier. Deze uitwas van het liberaale stelsel moet aan den wortel worden aangetast en dikwijls radicaal worden uitgeroeid om dan een betere grond slag te krijgen op behoorlijk gefundeerde grondslagen van bekwaamheid en behoorlijke financieele ondergrond.
Ik neem hiermede afscheid van dit terrein vol voetangels en klemmen en hoop dat er een nieuw geslacht zal opstaan dat het zakenlèven zal opbouwen zooals ik zoëven heb aangehaald. Toch mag ik hierbij eenige momenten van grooter allure niet onvermeld laten. In 1917 beleefden we in ons land de eerste jaarbeurs in Utrecht. Onze firma nam daaraan deel en met succes. We kwamen uit met onze snijmachines en meethaken en diverse kleine aparaten, die we toen maakten en mochten flinke orders noteeren. Mijn vader ondervond in den laatsten tijd herhaaldelijk moeilijkheden met zijn directeur der Singer-maatschappij waarvan ons optreden als concurrent de oorzaak was en dat deed ons besluiten om Vader bij ons in de zaak te engageeren. Het bleek een goede stap te zijn geweest. Vader verliet gaarne zijn post, waas hij zich reeds lang niet meer op thuis gevoelde en wij hadden in hem een goede kracht gevonden, door velen in het land goed bekend, die gaarne met hem te dien hadden, wat natuurlijk als gevolg had dat hij menige goede relatie voor goed aan onze zaak wist te verbinden Ook in 1918 herhaalden wij weder met succes onze stand op de jaarbeurs. Onder de betere relaties die we gewonnen hadden, behoorde ook de firma Hollenkamp, deze firma had door tussenkomst des firma Brückmann (Pfaff) eene Johnson knoopsgatmachine uit Parijs laten komen, waarmede echter niet te werken was. Ook de mechaniekers der firma Brückmann konden de machine niet op gang krijgen. De machine ging naar Parijs terug, kwam terug, ging nog niet. Een monteur uit Parijs ontboden, bracht de machine op gang doch na eenige dagen was het weer mis. De heer Hollenkamp Sr. ontbood mij toen en zag nog steeds eenigzins wantrouwend, want de machine kostte 2200 Francs, mij aan het werk. ’s Middags om 12 uur liep de fabriek uit en ik verzocht de twee stille uren die er volgden te mogen doorwerken. Toen om 2 uur het bedrijf weer begon, was ook Hollekamp Sr. weer aanwezig en zag hij tot zijn verwondering dat het meisje zonder eenig stoornis knoopsgaten met de Johnson maakte, de machine bleef goed functioneren en eenige dagen later bestelde de firma een tweede machine en gaf mij een order voor 26 Singer 96 machines met compleet sectionaal werk en de mededeeling dat ik voortaan alle leveranties en reparaties kreeg.
15a
Er was inmiddels een fusie tot stand gekomen tussen de firma Nieuw-Engeland en Hollenkamp. Bij de eerstgenoemde firma die een afzonderlijk atelier hadden, stonden twee Reece Improved machines, maar die stonden al meer dan 2 jaar renteloos, niemand kon deze machines op gang brengen. Rowley en Kieser liet niets meer van zich hooren en zoo werd ik ook bij deze machines geroepen. Binnen enkele dagen draaiden beide machines en dus, ook deze klant was gewonnen. Hoe het verder bekend raakte weet ik niet precies meer, maar van alle kanten kwamen de aanvragen om de Reece-machines te komen reparenen. De Vries en Auzon, de Cnijs en Co.,van Grinsven, de Booy, Sterenborg enz. Zoodra de oorlog goed voorbij was, stelden we ons met de Reece in Londen in verbinding. De heer Finckle met Mr. Schee, dir. der Reece in Amerika, kwamen over en nodigden ons naar Londen waarvan wij terugkeerden met het agentschapscontract in onze portefeuille. Dit is het begin van een groot en doorlopend succes voor onze firma geworden, niet alleen werd onze firma door dit Reece agentschap bijna overal in de industrie bekend, maar naar gelang we meer Reece-huurcontracten in de kleedingindustrie wisten af te sluiten, maakten we vanzelf ook entree in de genoemde bedrijven waren daardoor in de gelegenheid ons ook onze andere machines bij de fabrikanten te introduceren. Voorlopig waren dat onze diverse snijmachines, meethaken, strijk- en persijzers met gas en lucht en persgas verhit,maar later zouden daar nog bijkomen de tricotage en speciaalmachines van de Mauserwerken, diverse speciaalmachines, zooals de Strobelpiqueermachines, snelnaaimachines, stoompersmachines, enz.enz. Toen de stoompersmachines door ons hier werden ingevoerd kwam mijne opleiding in de stoomwerktuigkunde uit mijn leertijd plotseling weer van pas bij het geven van adviezen en het ontwerpen, berekenen en maken van kleine en grotere stoominstallaties in die bedrijven waar de stoomketel zijn entree ging maken voor het verwarmen der stoompersen. In 1922 kwam er in de verkoop van deze stoompersen een krachtige stoot omhoog toen ik bij de firma Gebr.Bervoets in Rotterdam een order mocht noteren van 20 verschillende persen tot een gezamelijk bedrag van over de F.33000.- Daarop volgde nog vele chemische wasserijen vooral toen eenige eigenaren met mij naar Londen geweest wareh, om daar in eenige bedrijven de toepassingen van de persen te zien. Menige belangrijke order is daaruit vootgekomen. Ik noem den Engelsen, Haversmidt en Klaye, Roelofs, Hooyer, de Regenboog, Hoeksema en anderen. In de confectie bedrijven van Peek en Cloppenburg en Em.Herzberger. Het proces der uitbreiding heeft sindsdien steeds voortgang gehouden en de jongere generatie is er een waarborg voor dat het terrein steeds verder bewerkt zal worden. Inmiddels had ik een poging gedaan om met onze persen ook in België vaste voet te krijgen, doch tot tweemaal toe mislukte deze poging grootendeels omdat we niet gelukkig waren met onze vertegenwoordigers daar, die ondeskundig en onbetrouwbaar bleken te zijn,waar nog bij komt dat ook vele Belgische koopers geen 18 karaats menschen waren. Later heeft onze jonge generatie meer succes weten te behalen met de speciaalmachines en Reece agentschap. Misschien zouden wij hier in het land reeds eerder grooter vlucht hebben verkregen met de industrie-naaimachines indien we er in hadden kunnen slagen een of meer goede naaimachine-fabriekanten uit Duitsland te vertegenwoordigen, maar de goede kwaliteits machines waren tot dan toe allen reeds in andere handen, Mauser en Strobel waren wel 1ste klas speciaalmachines maar deze fabrieken bouwden geen gewone snelnaaimachines en er moest nog geruime tijd verlopen eer we daarin ook slaagden, maar er is geen twijfel aan of ook daarin komt een hoogere vlucht als deze werełdoorlog voorbij zal zijn. Ik ben met deze beschouwing wel wat ver vooruit gelopen op vele dingen die nu achter ons liggen en toch de moeite waard zijn om ook gememoreerd te worden. We gaan daarom nog eens terug naar de periode 1914-1918 waarin ik nog vele dingen heb aangetekend. Laat ik daarom nog eens beginnen met mijn gezin dat inmiddels groeide,d.w.z. de kinderen werden groter en gingen allen naar school.
16
Het was in dien benarden oorlogstijd een voortdurende zorg voor mijn vrouw om de kinderen in dien leeftijd te kleeden en te voeden, vooral in de jaren 1917-1918 was dit een geweldig probleem. Het dagelijks brood was niet alleen haast niet eetbaar maar het was bovendien zóó weinig dat s’morgens het geheele rantsoen van de dag al door de keel ging. Op allerlei manieren moest bijvoeding gehamsterd worden om den honger te bestrijden. Ik ga nu maar voorbij hoe dat ging, maar we zijn er doorgekomen dank zij de moederlijke huishoudkunst die nooit faalde al was het een zorgen van den morgen tot den avond. Er was intussen nog een zorg meer bij gekomen, door het overlijden van mijn schoonzuster Hendrika, waarbij mijn vrouw haar moederlijke zorgen nog ging uitstrekken voor het achtergebleven dochtertje van haare zuster en haar man. Ik betwijfel of mijn vrouw wel die waardeering heeft ondervonden van hare familie die zij verdiend heeft voor dit mooie menschlievende werk. Zij heeft zich er nooit over beklaagd, maar is er altijd stil mee door gegaan, totdat mijn zwager weer een nieuw huwelijk aanging. Tootje heeft van haar tante veel mooie godsdienstige lessen en voorbeelden meegekregen die haar altijd als een lief meisje hebben gekarakteriseerd tot aan haar vroege dood. Ik kan hierbij nu goed aan laten sluiten de jeugd opvoeding mijner eigen kinderen waarbij natuurlijk Moeder ook wederom zoo’n voorname rol heeft gespeeld. Zelf tenger en bijna zwak is zij toch een ware zegen geweest voor onze kindęren door haar rustig en vast karakter, haar diepe godsdienstzin, haar geduld en hare soberheid in alles. Er lagen buitengewone zware jaren achter haar toen alle kinderen den schoolleeftijd doorliepen, jaren van geldzorgen die zij altijd met mij deelde, jaren van vele kinderziekten, waaronder die van Tiel, die zij naar het ziekenhuis zag brengen en die op het randje van leven en dood lag,maar gelukkig er door kwam. Op 13jarige leeftijd kreeg Antoon een gevaarlijke longontsteking. Bange uren en dagen doorleefden wij bij onze jongen. De dokter oordeelde bediening noodzakelijk maar gelukkig na 9 dagen van angst en vreeze keerde de ziekte in de goede richting en was het gevaar geweken. In die tijd hebben wij veel sympatiek medeleven mogen ondervinden en vooral van de paters die onze jongen zoo goed kende. Onze Tiel wilde priester worden en ging omstreeks die tijd naar het college der kruisheren in Uden. Hij bleef hier circa 3 of 4 jaar, doch blijkbaar heeft O.L.H. hem toch voor een andere levenstaak bestemd en ofschoon hijzelf meende dat zijn studie kon doorgaan, oordeelde zijn overheid er anders over en keerde hij half December 1921 van Uden naar huis terug. Het was in het begin natuurlijk een hevige teleurstelling, in de eerste plaats voor de jongen zelf maar niet minder voor zijn ouders, die zoo gaarne een priesterzoon als de hunne zouden gezien hebben. Het heeft niet zoo mogen zijn,maar God heeft hem en al onze kinderen een diep geloof geschonken dat hen allen in zijn raadsbesluiten doet berusten. Toch zijn al onze kinderen, zonder uitzondering de crisisjaren goed doorgekomen en toen de eerste wereldoorlog tot het verleden behoorde, hebben allen hun weg gevonden, die ik wellicht later in deze beschrijving nog wel eens zal aanroeren. Het jaar 1921 eindigde met het verlies van mijn vader, die op 14 Dec. plotseling overleed. Des avonds om 5 uur verliet hij ons kantoor nog lustig een pijpje rookend en s’avonds om 9 uur was hij niet meer. Ik heb tot nu toe hem iedere avond in mijne gebeden herdacht en hoop dat O.L.H. ook hem tot de gelukzaligheid heeft geroepen. Veel was er in zijn leven dat ik nimmer goed heb begrepen, maar zeker ben ik ervan dat hij ten opzichte van mijn gezin een echte liefde koesterde,dat hij trots was op zijn kleinkinderen en hunne ouders
16
en dat hij gaarne onder ons verkeerde. Teleurstellingen zijn ons ook niet gespaard gebleven.
Eén hiervan mag ik niet zondermeer passeeren. Een jonge man die door de mobilisatie zijn mechanieker post verloor, nam ik bij mij in onze zaak in dienst als reiziger-mechaniker. Het bleek dat hij liefde had opgevat voor een dochter uit een keurig katholiek gezin dat wij sinds jaren kenden. Hij beleed geen bepaalde godsdienat en het was onze overtuiging dat het met goedvinden der ouders van het meisje nooit tot een huwelijk zou kunnen komen. Hij nam ons in vertrouwen en mijn vrouw en ik hebben toen het mogelijke gedaan om bij hem belangstelling voor het kath.geloof op te wekken, waarin wij ook werkelijk slaagden, zoodat hij door kapelaan van Dorp in de Posthoorn gedoopt werd en wij het Peter en Meterschap op ons namen. Niet lang daarna trouwden zij. Hij werkte zich in onze clientele goed in en had succes op reis, zijn vakkennis had beter gekund, doch werd door zijn rustig optreden vrij goed aangevuld. Inmiddels waren wij in de na-oorlogsche crisis van 21-’22 beland, waarin het zakenleven zulke zware slagen te verduren had en ook wij de terugslag op velerlei wijze ondervonden. Onze bank verlangde op zeer korte termijn saneering van het uitstaande crediet en wij konden aan dezen eisch niet voldoen. Het kostte de grootste inspanning om faillisement te voorkomen en in die moeilijke periode kwam aan het licht dat onze protegé ons voor groote bedragen had bestolen, bedragen, die zoo groot waren dat indien we er over hadden kunnen beschikken dan zouden onze geldelijke moeilijkheden vrij gemakkelijk te overbruggen geweest zijn. Ik heb hem de deur gewezen en hem nooit meer willen zien! In 1916 trad de Heer Jos. Larsen privé als commanditair tot onze firma toe. Wij hebben enige jaren op prettige wijze met elkander samen gewerkt, maar door de toespitsende oorlogs-zorgen kon hij zich slechts weinig met onze zaken bemoeien. Onze financieele positie was door zijn toetreden voor ons veel beter geworden en ons crediet werd er in het algemeen door verstevigd. Toen wij in 1919 de com.vennootschap in een N.V. omzetten bleef hij met zijn kapitaal deelnemen. Helaas verloren wij deze eerlijke, krachtige, zij het wat conservatieve medevennoot door den dood. Zijn oudste zoon werd belast met de liquidatie onzer N.V. waarin zijn vader een belangrijke aandeel had en het is deze onervaren jongeman die onze zaken en indirect ook dus de zaken der overige aandeelhouders zeer slecht heeft gediend. Ook hij is reeds lang ter ziele en daarom zal ik er hier niet veel meer over schrijven. Voor ons, d.w.z. mijn broer en mij, bleef er als erfenis over een te delgen schuld van FL.30000, waarvoor wij meer dan 10 jaren hebben moeten betalen, maar wij redden daarmede onze zaak en naam en konden zonder dat er veel naar buiten kwam ons bedrijf weer opbouwen, reorganiseeren en met succes voortzetten.
Het is hier de plaats om te getuigen dat tijdens dien zeer bewogen tijd ook mijn broer toonde tot volle energie en zakenkennis, vooral op administratief gebied, te zijn gekomen. Hij werkte toen een initiatief uit om tot gelijdelijke afwikkeling der N.V.zaken te komen, zonder dat het ons beléemerde in de reorganisatie van ons voortgezette bedrijf. Wij staakten de fabrikatie van vele artikelen die niet meer lonend waren door den onbelemmerde invoer uit het buitenland en concentreerden ons alleen op die machines die wij altijd nog beter en goedkoper maakten dan de buitenlanders: de snijmachines, en daarnaast, zooals hiervoor reeds verhaald, de invoer en verkoop der stoompersen. Om de verkoop der stoompersen te stimuleren huurden wij in de Hobbemastraat een winkelruimte en richtten daar dn een opperinrichting naar de eischen des tijds, althans zooals dergelijke inrichtingen reeds langere tijd in Londen en New-York bekend waren. Een verkoper van de Hoffman-Corp., Fruitema, kwam uit Amerika over
17
en heeft hier inderdaad een flinke stoot gegeven door zijn propaganda voor de Valeting-Shops, ofschoon de zaak van Mijklerc met een andere zaak nog geruime tijd de eenigen in Amsterdam bleven. Wij beschikten dus over een demonstratieinstallatie waar wij aspirant kopers van persen steeds konden introduceren, wat de verkoop natuurlijk vergemakkelijkte. Maar wij hebben daarnaast een reeks van jaren nog een aardig bedrag aan netto bedrijfsresultaten kunnen toucheren wat ons zeer te stade is gekomen om onze financieele basis te consolideren. De propagandist, de oud-Groninger Fruitema, was inmiddels door zijn directie in Amerika terug geroepen omdat hij hier in Holland zulke geweldige verteringen maakte, dat het blijkbaar de spuigaten uitliep. Maar wij hebben door zijn bezoek goed zaken gemaakt met de stoompersen. De eerste wereldoorlog was intussen geeindigd. Het was een onverwacht einde waarvan de revolutionaire elementen gebruik dachten te maken om hunne ideaalen in feiten om te zetten. De revolutionaire zondvloed die in Duitsland begonnen was, overspoelde ook ons land en de socialistische leider Hr.Pieter Jelles Troelstra wilde hier naar de staatsmacht grijpen. De roode vloedgolf zou inderdaad succes hebben bereikt indien de geweldige krachten die tot dan toe in ons bezadigd volksdeel gesluimerd hadden niet zoo spontaan tot eene eenheid samen vloeiden en den voet dwars zette tegenover de ontketende revolutionaire elementen. Het was een bange zelfs gevaarlijke tijd, maar het was tegelijker tijd een groote tijd, want de ontwikkelde, rustige kracht die het katholiekе en positief christelijke volksdeel toen demonstreeerde, nekten in eenige dagen de plannen van Troelstra en zijn volgelingen.
Door heel het land, maar vooral in de groote steden werden massale volksvergaderingen gehouden waar de massa werd toegesproken door sprekers van de roomsch-katholieke en christelijke richting, door arbeidersleiders en door inteldactueelen, door priesters en dominees, door onze ministers, Dr.Deckers, Mr Ruys de Beerenbroeck en anderen die een geweldig enthousiasme wisten los tem slaan dat alles overtrof wat men tot dan toe in ons rustig vaderland ooit gezien had of beleefd. Een enorme volksmassa, gevormd uit menschen van allerlei rang en stand formeerden straat-demonstraties die uren lang nodig hadden om voorbij te trekken. Zoo was het in Amsterdam toen de Koningin, de princes en de prinsgemaal op het paleis op den Dam de betuiging van trouw in ontvangst kwamen. nemen. Zoo ging het in Den Haag, zoo in Rotterdam en in andere groote centra. De revolutie poging was inmiddels totaal dood gelopen en Mr Troelstra moest naar bed, hij had koude gevat. Ik reken het mij tot een eer, dat ik in die dagen gehoor heb gegeven aan het comite van verweer om een steentje bij te dragen tot het welslagen dezer volksbeweging.
Toen de rust in het land was teruggekeerd, verzocht de koningin en regeering de kath. en christelijke volksleiders met hunne gedeligeerden nogmaals samen te komen in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Den Haag om nog eenmaal gezamelijk de gelukkige afloop der revolutie bestrijding te herdenken, om volksleiders te danken en de volksleiders de gelegenheid te geven de gevoelens van het volk weer te geven tegenover de regering en het vorstenhuis.
Namens de christelijke organisaties voerden Prof. Mr Diepenhorst het woord en namens de katholieken was het Pater Borromeus de Greeve. Het was een ontroerend oogenblik en wellicht de eerste maal in de geschiedenis van ons volk, dat een Franciscaner monnik in zijn kloosterpij voor de koningin van Nederland stond om het woord te voeren tot haar namens drie millioen katholieken. En hoe hij dat deed! Het was voortreffelijk en imposant.
Men kan zich dat voorstellen als men dezen redenaar bij de Gratie Gods eenmaal heeft gehoord met zijn schitterende improvisatie, zijn metalen stem-geluid, zijn imposante priester-figuur, ja, daar was die volle zaal muisstil van.
17a
Prof Diepenhorst had eerst een prachtige, diepgevoelde rede gehouden, die ook de geheele massa boeide, maar toen Borromeus met zijn stentorstem aan het woord was toen trilde er iets in ieders hart roomsch en onrooms en aan het eind van zijn rede brak een storm van applaus los, zóó geweldig als ik en waarschijnlijk niemand in de zaal ooit heeft gehoord er kwam geen einde aan. Het was een onvergeetelijke dag waarvan mij thans, 26 jaar later, het beeld nog levendig voor mijn geest staat. Een zeer opmerkelijk verschijnsel om geheel andere redenen deed zich in dienselfde tijd voor dat ik niet onvermeld wil laten. In het openbare leven behoorden de liberalen nog altijd tot de “primus inter paris”, zij waren uit ander hout gesneden dan alle andere Nederlanders en men trof de dragers van die mening nog in grote getale aan in allerlei colleges, 1ste en 2de kamer, aan de departementen, in het hooger-,middelbaar en lager onderwijs, in de ambtenaars wereld van het rijk, provincie en gemeente, in de financieele en industrieele kringen, kortom overal en niet zelden klonk bijj een debat de arrogante ondertoon van het liberalisme door. Wat presteerden deze heeren nu, nu het land in gevaar was? Niets en nogmaals niets. Angstig hebben de heeren zich verscholen en voorzover zij nog trachtten iets bij te dragen om de situatie te redden, het land en volk te beschermen, hebben zij zich overal bepaald to het beschikbaar stellen van groote geldbedragen, hunne kantooren en gebouwen waren disponiebel om dag en nacht in te vergaderen enz,, maar persoonlijk konden zij niets doen omdat zij geen contact met de massa hadden. Het waren generaals zonder leger. Het kwijnings proces van het liberalisme was reeds lang zichtbaar, maar nooit heeft het hulpelozer figuur gemaakt dan in die dagen. Het had zijn volks-invloed verloren en de theorie hunner economie n.m.l. het spel der vrije krachten had afgedaan. Mijn deelneming aan sociale acties en mijne studie en belangstelling voor de vraagstukken van mijn tijd heb ik altijd gaarne gevolgd, waarvoor twee beweegredenen meestal de drijfveer vormden. Eerstens de plicht die m.i. ieder staatsburger heeft om het algemeen belang mede te dienen naar kennis en vermogen en het niet uitsluitend over te laten aan beroeps-politicie en ambtenaren. Tweedens omdat naar mijn opvatting de katholieken zich al te veel eenzijdig orienteerden. Waar eene algemeen belang gediend kan worden door een massaale proраganda en waarbij mijne katholieke principes geen schade zullen lijden door daar aan mee te doen, daar acht ik een afzonderlijk ageeren door groepen naar godsdienstrichting niet den juisten weg en heb ik er niet aan mee gedaan. Dit standpunt huldig ik nog en gelukkig velen met mij. IETS anders is dit op politiek terrein, daar was tot voor 1940 nog altijd de grootste scheidingsmuur, nog altijd werd de grootste godsdienstige volkseenheid in rechten te kort gedaan, nog altijd hadden onze bekwaamste menschen van allerlei wetenschap te strijden met het heerschende roomsche spook dat in de liberale en sommige kerkelijke kringen opgeld deed. De bezetting der hogere posten in de openbare bestuurslichamen gingen nog maar al te dikwijls aan onze roomsche, uiterst bekwame candidaten voorbij; uit mijne ervaring zou ik talrijke voorbeelden kunnen aanhalen op welke kleinzielige en spitsvondige wijze de roomsche candidaten werden geweerd en het is alleen door de bezetting van een groot aantal plaatsen in de kamers, Staten en Raden mogelijk geworden om langzamerhand deze ergerlijke misstand en achterstand enigermate wegte werken. Daarom heb ik mij in 1919 beschikbaar gesteld voor een plaats in de Staten van Noord-Holland, daarom ook in 1931 in den Gemeenteraad van Hilversum. Geen menschenwerk is feilloos en als ik nu nog eens achterom kijk dan zou ik misschien toch nog vele dingen anders doen indien ik er weer voor kwam te staan, maar ik heb nooit aan een besluit medegewerkt zonder op dát oogenblik niet eerst naar eer en geweten het voor en tegen te hebben overwogen.
18
Eén bewijs voor het voorenstaande zal ik hier aanhalen: er was een vacature voor verpleegster in de geneeskundige dienst van de gemeente te Hilversum. In deze dienst is geen enkele post, hoog noch laag door een katholiek bezet, n.b. in eene gemeente van meer dan 75000 zielen waarvan 1/3 katholiek is. Ik droeg den directeur van dezen dienst op om een oproep te plaatsen in het neutrale en het katholieke vakblad. Uit de meer dan 30 sdlicitanten waren de papieren van twee candidaten gelijkwaardig, een ervan was roomsch en een protestant. De katholieke had echter op de andere vóór dat zij reeds eenige jaren praktijk had als wijkverpleegster in een groot environ en daarvan prima getuigen overlegde. De directeur maakte de voordracht op de roomsche op de tweede plaats. In mijn voorstel aan B. en W. keerde ik de zaak om, d.i.: de roomsche No. 1 op bovengenoemde gronden gemotiveerd en de overweging dat in een gemeente als deze, met hare groote katholieke bevolking de persooneelsbezetting in den geneeskundige dienst in het geheel geen afspiegeling er voor was en hierin nu eenige verbetering kan gebracht worden door mijn voorstel aan te nemen. Maar ik verloor den slag met de drie niet katholieke wethouders, bovendien stemde de katholieke burgermeester tegen en werd de protestantsche verpleegster benoemd. Als motief voerden de Heeren aan, dat laatstgenoemde één diploma meer had ,n.l. krankzinnige verpleging, dit was echter niet eens in den oproep gevraagd.
De crisesjaren van ’21-’22 kwamen wij gelukkig te boven. Wij hadden veel persooneel moeten ontslaan voor en tijdens deze tijd. Een ontslag had echter met den crises niets uit te staan. Op aandringen van mijn Vader hadden wij eenige jaren vroeger een man in onzen dienst genomen die tot de bekwaamsten in onze branche kon gerekend worden, maar——een dronkaard. Hij was daardoor geheel aan lager wal geraakt en werd overal vroeger of later ontslagen. Nu zouden wij het nog eens proberen en het ging geruime tijd goed. Door strenge controle en door zijn loon aan zijn vrouw uit te keeren wisten wij hem in het spoor te houden. Hij echter was op het gebied toch listiger en verviel weer in zijn ongeneeslijke kwaal. Ook dezen slag verloren wij, ontslag was echter niet nodig, op een dag ontvingen wij bericht dat hij in den drank gestikt was. Omstreeks 1923 viel het 25 jarig regeeringsjubileum van de koningin. In mijn kwaliteit van lid der Staten van N.-Holland ontving ik van de stad Amsterdam verschillende uitnoodigingen voor de feestelijkheden, ik heb alleen de voornaamsten bijgewoond met mijn vrouw. Nooit zagen wij zoo’n pracht en praal in gewaden en versieringen. We woonden de kerkdienst op den Dam bij waar de koningin met den prins en prinses aanwezig waren, daarnaast talrijke indische vorsten en vorstinnen in hun prachtige gewaden, gesierd met een schat van edelgesteenten waarvan we ons geen voorstelling hebben kunnen maken. Dan de gezanten en diplomaten der vreemde mogendheden allen in hun gala, ook de burgerij in alle geledingen en standen in ongelooflijke fijne en smaakvolle kleeding, in een woord een uitgelezen gezelschap dat wel hoogst zelden in zulk een samenvatting bij elkaar zal zijn geweest in de nieuwe kerk. De beste zangeres van Nederland, Mevrouw Aaltje Noordewier-Reddingius zong en de feestrede of predikatie werd uitgesproken door dominee Dr. de Visser, prachtig van inhoud en onvergelijkelijk mooi voorgedragen wat dan ook op het gehoor een geweldige indruk maak te, die dit moment voor allen onvergeetelijk maakte. Een ander grootsch evenement in deze feesten was de galavoorstelling in den stadsschouwburg. Ook daar waren ongeveer dæzelfde personen aanwezig als daarvoor
18a
in de kerk. Maar ik zou zeggen de pracht en praal was nog belangrijk uitbundiger. Hier waren de vorstelijke personen met de koningin aan het hoofd waarschijnlijk wel met hun rijkste sieraden uitgedost, en schitterde de burgelijke rijkdom eveneens met geweldige diademen en andere versierselen. De leden van de 1ste en 2de Kamer, de ministers, de hogste militaire autotiteiten, de professoren van de Amsterdamsche Universiteit, commissarissen der provincies, burgermeesters, de grote kunstenaars op allerlei gebied enz.. Het was een bont gewemel en het geheel maakte een geweldige indruk. Niet lang daarna werd de Coenhaven in Amsterdam geopend door de koningin en ook daan waren mijn vrouw en ik uitgenodigd. Ook hier was veel feestvertoon, mooi weer, een boottocht met de koningiń naar de nog niet geopende haven en daar de plechtigheid waarbij alles wat op het gebied van handel en scheepvaart iets betekende aanwezig was. Een zeer interessant oogenblik was hierbij het moment waarop het laatste dammetje werd weggetrokken en het water uit het Noordzeekanaal met donderend geweld in de nog droge havenkom stortte. In de 20 jaren die ik als Statenlid heb medegemaakt zijn er nog wel meer interessante excursies en belangrijke bijeenkomsten geweest die ik niet allen kan omschrijven.
Op één excursie moet een uitzondering gemaakt worden, dat is het bezoek aan de Zuiderzeewerken op het tijdstip dat men aan den vooravond van den dag stond waarop de z.g. Vlieter zou worden dichtgemaakt. De Vlieter was het laatste stuk van de Zuiderzee dat tusschen de twee dijkeinden nog open was en waardoor het zeewater met geweldige kracht uitstroomde bij ebbe en instroomde bij vloed. Het was nog een opening van ruim een kilometer breed. We voeren met een directieboot van het dorpje Den Oever op het vroegere eiland Wieringen langs de buitenzijde van den afsluitdijk tot aan den Vlieter. Het was juist ebbe en de boot moest dus tegen den stroom in door het gat varen. Het was een zeer krachtige boot, maar het duurde toch geruime tijd vooraleer wij dóór de felle stroom heen waren en aan den binnenkant van den dijk konden meren. Het geheel was een imposant werk. Aan den horizon lagen meer dan 50 zware baggermachines die dag en nacht door het kleileem uit den zeebodem ophaalden en in groote bakken overwierp. DAN VOEREN SLEEPBOTEN AF EN AAN OM DE LEGE BAKKEN WEER LANGSZIJ van de molens te trekken en de volle te verslepen naar de Vlieter, waar geweldige grijpers aan beide dijkeinden lagen en met elke greep 3000 kilo kleileem uit de bakken ophaalden en in zee stortten. Een ander zeer groot en belangrijk werk was het gereedmaken van zinkstukken, dat waren bedden van rijshout gevlochten, ter grootte van circa 40 meter kwadraat. Deze werden door enige sterke sleepboten met volle kracht trekken om het zinkstuk op zijn plaats te houden. Zoo ging ook dit werk dag en nacht voort.
We voeren dan met onze boot verder langs de binnenzijde van de gereedgekomen dijk tot aan het Kornwerderzand, waar enorme sluiswerken waren gemaakt voor het doorlaten der scheepvaart. Ook dit was een der belangrijkste werken in den afsluitdijk. Ten slotte bezichtigden wij de gigantische sophons, die op 2 plaatsen in den dijk zijn bebouwd om het IJselmeerwater peil naar goed vinden te kunnen regelen. Als men zoo’n wereldberoemd waterbouwwerk dan siddert men van eerbied voor den man die dit werk heeft aangedurft; wijlen ingenieur Lely en zijne bekwame ingenieurs en hunne duizenden helpers. Voeg hierbij dan de tastbare resultaten in den vorm van den bloeiende en in volle cultuur zijnde Wieringermeerpolder, die ik meermalen voor en nadien bezocht, dan kriebelt het toch weleens
19
in je vuisten als je die waanwijze betweters hoort beweren dat ons volk geen moed en durf meer heeft, dat wij weer moeten terug zien naar de daden onzer voorouders. Als men dan weet dat dergelijke zedemeesterse dikwijls zelf een duister verleden achter zich hebben, niet zelden behoren tot de talrijke geestelijk ontspoorden, dan weet men tevens wat deze beweringen waard zijn. Zoo langzamerhand kom ik aan den tijd dat de jonge generatie hare medewerking aan onze zaken gaat verlenen. De resultaten, die wij voor de Reece com. intussen hadden behaald waren in Londen goed ontvangen en werden gewaardeerd en dus was er weinig noodig om een gunstig antwoord te ontvangen van Mr. Finkle op onze vraag of Antoon eenigen tijd in Londen bij de Reece com. kon volontairen. De gunstige resultaten bestonden in het plaatsen van vele nieuwe Reece contracten ondaks de sterke concurrentie der Singer com. met hare 99W100 knoopsgatenmachine. Het was vooral in de heeren confectie dat wij nieuwe machines plaatsten waar voorheen de Singer met hare 23-19 machine zoo in was. Singer had zich wel voorgesteld om successievelijk daar met hare 99w100 in te komen, maar ik mag wel zeggen dat hare pogingen totaal mislukten. Ja, zelfs in die bedrijven waar alle snelmachines en diverse speciaalmachines van Singer geleverd werden, hadden wij nog succes met de Reece. Dat ging ook zoo waar Lewenstein dé leverancier was. Alles moest van L. of S. komen, maar de knoopsgatmachine was of werd Reece. Ik noem hier uit mijn geheugen eenige namen; Hollenkamp,-Gebr. Bervoets, Peek en Cloppenburg, Nat Conf, Ind., GazenMenko, Bebr.Levie, Cohen en Co. Bij de firma Gazan, voor ons alleen koper van eenige snijmachines, stond ondanks de voorliefde van den bedrijfsleider voor een Reece, die er eenige dagen op proef gelopen had, toch een 99W100 op proef. Na een sukkelpartei van drie maanden, kon Singer zijn machine terughalen en werd de nieuwe Reece met gejuich weer begroet. Eenige jaren tevoren had de oudste firmant der firma mij nog de deur gewezen, met de boodschap “nooit geen huurmachine in mijn fabriek”. Ik zou nog veel meer van deze staaltjes kunnen verhalen, die allen eindigen met de overwinning van de Reece, zoo bij Menco, Smits en Co., Leeuwarder Text.Mij., Broekman, van Dam en meer anderen. In feite was het zoo, dat tusschen 1919 en 1925 de Singer nergens eenige kans gekregen had eene machine te plaatsen, dan alleen bij één loonconfectionaire en dan nog op een belachelijk lange afbetalings conditie. Bij de firma Willink in Winterswijk liepen 3 oude Reece machines. Een ervan was op en de directeur nam een hautaine houding aan tegenover ons: ” De Reece Comp. zou nu wel wat soepeler worden, nu Singer met eenzelfde machine aan de markt kwam.” Hij had dan ook maar besloten voortaan de Singers te nemen. Er kwam een Singer, na 3 maanden van eindeloos gesukkel, kreeg ik opdracht voor een Reece, naderhand volgden er nog twee. Singer kreeg zijn 99w100 terug!! De geheele affaire eindigde met een proces. In de eerste jaren na den oorlog hadden we voor de Reece nog een finantieele moeilijkheid uit de wereld te helpen en wel met de Reececontracten in het Duitsch opgesteld en waarin juridisch gesproken, alleen sprake was van de partijen The Reece Buttonhole Mach. Comp. en Rowley en Kieser. The Reece Mach.Comp. in Londen werd niet door R. en K. erkend. Daarom moest de president uit Boston, Mr Shee, naar hier overkomen om met Mr. Kieser te onderhandelen. Kieser had gedurende den oorlog de huurgelden van die 15 machines, die hier in Holland liepen, geincasserd en wilde deze nu wel verrekenen met de Reece, doch slechts met de gedevallueerde marken.
[hier eindigen de getypte vellen, vrij abrupt – wie weet of er elders nog meer is??? – IF]
Uit een krante-artikel:
Krantenartikel over Caspar Verbeek, oudste zoon van Tieleman, (half)broer van Opa Verbeek.
Verbeek, Gaspar Franciskus Joannes. Dir. der N.V. Speciaal Machine Huis te Amsterdam, Weth. v. Soc. Zaken te Hilversum. Geb. 27 Dec. 1877 te Geldrop. Vader: Tieleman V., koopman; Moeder: Maria v. Bragt. Gehuwd met Maria Elisabeth Agnes Copini. Uit dit huwelijk werden geboren: Maria Wilhelmina, op 9 Mei 1903, gehuwd met J. Korner; Anthonius Cornelus, op 13 Juni 1904, geh. m. Anna Obermayer; Tieleman Alexander, op 4 Nov. 1905, Casper Franciskus Joannes, op 9 Dec. 1908 geh. m. Gonda Niermans; Elisabeth, op 19 Jan. 1911 en Arnold Cathrinus, op 2 Dec. 1913. Na de lagere school en de Ambachtschool te Amsterdam te hebben doorloopen, stud. V. a. d. M.T.S. aldaar en behaalde in 1896 het einddiploma. Vervolgens werkte hij in diverse machinefabrieken, voer 1,5 jaar op zee, hield zich 2 jaar in Duitschland bezig m. machinebouw en keerde toen n. Ned. terug. In deze jaren had hij veel ervaring en kennis opgedaan, zoodat hij, na nog tot 1908 hier te lande in diverse techn. bedrijven werkz. te zijn geweest, er toe kon overgaan een eigen bedrijf te stichten o. d. firmanaam C. E. H. Verbeek. Eenige jaren later trad hij echter uit deze onderneming, om een eigen fabriek op te richten, teneinde zich voornamelijk te gaan toeleggen o. h. vervaardigen v. techn. artikelen, ten behoeve v. d. textielindustrie. Deze fabriek is momenteel nog gevestigd te Amsterdam d. naam N.V. Speciaal Machine Huis. Buiten zijn werkzaamheden, als Dir. der genoemde N.V., bekleedde i. d, loop der jaren tal v. belangrijke functies; o.a. was hij van 1917 tot 1921 voorz. v. d. R.K. Middenstandsver, te Amsterdam, lid v. Prov. St. v. Noord-Holl., van 1919 tot 1927 en in 1934 voorz. v. h. uitvoerend comité v. Middcnstandstentoonstelling „Almitento”, gehouden i. h. B.A.I.-gebouw. Voorts heeft hij thans v. d. tweede maal zitting in de Prov. St. v. Noord-Holl., is hij voorz. v. Georganiseerd overleg tusschen Gem. Ambtenaren en Werklieden en voorz. v. Maatsch. Hulpbetoon. In 1931 werd hij door de R.K. Staatspartij tot lid v. d. Gemeenteraad te Hilversum gekozen, om vier jaar later als wethouder v. Soc. Zaken de belangen dezer Gemeente te behartigen. V. schreef verschillende artikelen in vakbladen en politieke tijdschriften over onderwerpen v. sociaal-economischen aard. Voorts hield hij lezingen over deze onderwerpen. Hij bezocht v. studie vele landen v. Europa en tevens N.-Afrika. Reizen behoort tot de liefhebberijen van V., evenals het lezen van karakteren reisbeschrijvingen. Vermeerlaan 68, Amsterdam
